BarnOwlBlues is een Nederlandstalige bluessite van Eric Campfens uit Schiedam. Op deze site wordt voornamelijk aandacht besteed aan de geschiedenis, biografieën en recensies.
Voor vragen en opmerkingen kunt u contact opnemen door op onderstaande e-mailbutton te klikken.
Dr. Harpo & 2 The Moon – Where The Blues Live
Muziek | CD's
|
16 Mei 2012 | 14:10:04
Dr. Harpo & 2 The Moon – Where The Blues Live
Een band, waarvan de leden kennelijk al jarenlang plaatselijk naam weten te maken is Dr. Harpo & 2 The Moon. Afkomstig uit Las Vegas brengt deze band een mix van jump blues, traditionele blues en dit alles doorspekt met americana. De band wordt aangevoerd door Kevin Haggerty alias Dr. Harpo, een harmonicablazer die behoorlijk goed heeft geluisterd naar Lester Butler, Little Walter en Paul Butterfield. In het ware leven is hij chiropractor.
Daarbij wordt hij begeleid door gitarist Mark Medina, bassist Tracy 'T-Bone' Smolnik, drummer Richard Burns en toetsenist Bob 'Da Wiz' Ashman. En dit is in grote lijnen zo ongeveer alles wat ik over hen in internet heb kunnen vinden.
Van de twaalf nummers zijn er zeven originelen en vijf covers. En verder laten we de muziek het woord maar doen.
De aftrap gebeurt met de jumpblues “Toolbox”, waarin duidelijk te horen wie de grote inspiratoren van Dr. Harpo zijn. “On The Radio is een lekker in het gehoor liggende shuffle, dat wordt gevolgd door “Fat Man”. Deze krijgt door het gebruik van de accordeon een zompige zydeco-gevoel mee. Op “I Wanna Know” blaast Harpo zijn longen uit zijn lijf, geeft Ashman een lekkere riedel op de piano en doet ook Medina op zijn gitaar een flinke duit in het zakje. De welbekende jump “Caldonia” volgt en ook bij deze versie blijft het moeilijk om stil te zitten. “Blues Muscle” is gebouwd op een typische Bo Diddley-ritme en is een stevige rocker met een fraaie interactie tussen zang en harmonica.
De ballade “My Baby Don't Iron” is dan weer een rustpuntje te noemen met zijn akoestische gitaar, rustige zang en pianogetingel op de achtergrond. Volledig bijgekomen krijgen we Willie Dixons “Baby Let Me Love You” over ons uitgestort, gevolgd door Little Walters “Up The Line”, waarin – hoe kan het ook anders – een hoofdrol is weggelegd voor Dr. Harpo. Maar ook de piano en gitaar leveren een opwindende bijdrage. Waar het in “Ugly Woman” over gaat hoef ik niet te verraden. Toch knap om zo'n mooi lied te maken over een lelijke vrouw. De titelsong “Where The Blues Live” is een swingende shuffle waarbij twee van de heren de zang voor hun rekening nemen. Medina's wahwah-gitaar komt ertussen met een vlijmscherpe solo en ook Harpo zelf laat zijn mondharmonica duidelijk horen. Als uitsmijter worden we verrast met een medley bestaande uit “Sloppy Drunk”, “She's Murder” en 'Got My Mojo Working”. Ieder krijgt nog even de gelegenheid om te laten horen wat hij kan. Een mooie en opwindende afsluiter.
Conclusie:
Een zeer geslaagd album kan het zeker genoemd worden. De productie niet al te glad, maar dat komt m.i. het spel- en luisterplezier juist ten goede. Dr. Harpo & 2 The Moon is een groep ervaren en goed op elkaar ingespeelde muzikanten, die duidelijk plezier hebben in het muziek maken.
“A guitarist's guitarist” werd hij wel genoemd, dé gitarist onder gitaristen. Toch heeft deze status er niet voor gezorgd, dat Roy Buchanan bij het grote publiek bekend is geworden. Onder collega-muzikanten en een klein deel van het publiek stond hij daarentegen bekend als een uniek gitarist, met een heel eigen toon en een fabuleuze, zeg maar rustig virtuoze, beheersing van zijn instrument.
Roy (eigenlijk Leroy) Buchanan wordt op 23 september 1939
geboren in het landelijke plaatsje Ozark in Arkansas. Vader Bill had een stukje land gepacht in Arkansas, het zgn. sharecropping, en samen met zijn vrouw Minnie Bell Reed kreeg hij vier kinderen: J.D. (1926), Betty (1933), Leroy (1939) en Linda Joan (1944). Als Roy twee jaar oud is verhuist de familie naar Pixley, Californië, waar vader Bill als boerenknecht aan de slag gaat. Buchanan vertelde in interviews dat zijn vader tevens prediker was, maar dit wordt door zijn oudere broer J.D. tegengesproken. De eerste muzikale herinneringen doet hij op tijdens kerkdiensten, die openstaan voor mensen van allerlei ras en afkomst. Door de gospel komt hij voor het eerst in aanraking met zwarte muziek. In het begin speelt de kleine Roy steelguitar. Hij krijgt als zevenjarige les van een plaatselijke gitaarlerares, Mrs. Presher, en al na enkele weken weet hij liedjes uit de hitparade na te spelen. Noten lezen heeft hij nooit geleerd, maar hij weet alle liedjes op gehoor te kopieren.
Als twaalfjarige wordt hij door Marvin en Paul Kirkland gevraagd lapsteelgitaar te spelen in hun band, de Waw Keen Valley Boys. Begin vijftiger jaren gaat hij over op de gewone gitaar. Zijn eerste Fender Telecaster koopt hij als hij dertien jaar oud is voor het enorme bedrag van $ 120,-. Op school vormt hij met een paar vrienden een band, genaamd de Dusty Valley Boys. Als hij vijftien jaar oud is begint zijn professionele carrière in de Johnny Otis Rhythm & Blues Revue. In 1958 is hij voor het eerst op de plaat te horen als hij Dale Hawkins begeleid op diens opname “My Babe”, waarbij hij ook de solo voor zijn rekening neemt. Twee jaar later verlaat hij de band van Dale tijdens een tournee in Canada en gaat voor diens neef, Ronnie Hawkins spelen, waar hij Fred Carter Jr. vervangt. In diens band is hij min of meer de mentor van Robbie Robertson. Op de hit “Who Do You Love?” speelt Robertson gitaar en Buchanan de bas.
Maar al snel keert hij weer terug naar de VS, terwijl de band later grote roem verwerft onder de naam 'The Band'. Roy speelt samen met diverse artiesten en bands. Tijdens een tournee in Virginia trouwt Roy even snel tussen de bedrijven door met zijn vriendin Judy Owens.
Op een single uit 1962, genaamd “Potato Peeler”, die hij met drummer Bobby Gregg opneemt, is al de typische Buchanan-stijl hoorbaar. Halverwege de zestiger sluit hij zich aan bij de British Walkers, een band die probeert mee te draaien met de Britse muziekinvasie. Buchanan verhuist naar de omgeving van Washington DC en speelt er een aantal jaar voor de band van Danny Denver en met zijn eigen band, The Snakestretchers. In die tijd bouwt hij een reputatie op als een van de beste rockgitaristen uit de omgeving. Zelfs Jimi Hendrix durfde het destijds niet tegen hem op te nemen. Tijdens een optreden van Hendrix in 1968 zag Buchanan dat deze zijn stijl had overgenomen door het gebruik van allerlei hulpmiddelen, zoals het wahwah-pedaal, terwijl hij deze geluiden met zijn vingers kon produceren. Desondanks wordt hij later een grote fan van Hendrix.
Eind zestiger jaren verlaat Buchanan voor een korte tijd de muziekindustrie om geld te verdienen voor zijn steeds groter wordend gezin. Hij gaat een vak leren en wordt opgeleid als kapper. Volgens geruchten wordt hij in juli 1969 gepolst om de vrijgekomen plaats van Brian Jones bij de Rolling Stones in te nemen. Hij slaat dit aanbod af. De eerlijkheid gebiedt mij te benadrukken dat dit alleen maar geruchten zijn en dat het waarschijnlijk helemaal niet waar is.
Uiteindelijk kruipt het bloed waar het niet gaan kan en in 1970 neemt hij de gitaar weer op. Een jaar later verandert Buchanans leven dramatisch. Een artikel over hem in de Washington Post trekt de aandacht van een televisieproducent. Deze maakt een televisiedocumentaire over hem wordt onder de naam “Introducing Roy Buchanan” met subtitel “The Best Unknown Guitarist In The World”. Dit resulteert in een platencontract met Polydor. De eerste lp, "Roy Buchanan" wordt in juli 1972 opgenomen en al een maand later uitgebracht. In oktober wordt "Second Album" opgenomen, dat begin 1973 verschijnt en meteen goud oplevert. Na een tournee door Engeland gaat hij eind 1973 de studio in voor " That's What I'm Here For". John Lennon wilde graag meespelen en ook bood hij Roy aan op zijn eigen volgende album mee te spelen, maar dit aanbod werd door Buchanan afgewezen.
Zijn band bestaat dan uit zanger Billy Price, bassist John Harrison, drummer Byrd Foster en organist Malcolm Lukens. Met hen neemt hij op 27 november 1974 een optreden in de Town Hall, New York opgenomen, dat in 1975 verschijnt als "Live Stock". In totaal maakt hij vijf albums voor Polydor voordat hij een contract tekent bij Atlantic. Daar verschijnt als eerste "A Street Called Straight", wat een afspiegeling is van zijn leven en zijn strijd tegen overmatig drankgebruik. Voor het volgende album "Loading Zone" wordt jazzbassist Stanley Clarke ingehuurd als producer. Deze heeft nogal eigen ideeën, die niet helemaal overeenkomen met die van Buchanan. De aanvankelijk vreugde een duet met Steve Cropper van Booker T & the MGs te spelen op diens "Green Onions" resulteert in een teleurstelling als blijkt dat Clarke het tempo zodanig heeft opgeschroefd, dat het eerder een duel is dan een duet. Het album "You're Not Alone" volgt nog en ondanks de redelijke verkoop is deze muzikaal gezien het minste van de drie. Er volgt nog een sterke live-lp "Live In Japan" met opnamen uit 1977.
Begin januari 1981 wordt Roy in het ziekenhuis opgenomen met raadselachtige verwondingen. Hij en zijn vrouw beweren dat hij is mishandeld door de politie toen deze hem wilde arresteren. Een andere versie is dat hij deze heeft opgelopen bij een mislukte zelfmoordpoging in een politiecel op oudejaarsavond 1980.
In 1981 stopt hij met opnames en zweert pas weer een studio te betreden als hij zijn eigen gang mag gaan.
Rond die tijd is het sowieso tobben met zijn carriere. Hij heeft geen vaste band, speelt met gelegenheidsformaties en het feit dat zijn vrouw Judy, die geen enkele ervaring in de muziekbusiness heeft, de optredens boekt zal ook niet geholpen hebben. Daarnaast is hij nu ook verslaafd geraakt aan cocaine.
De zon breekt weer door als Bruce Iglauer van Alligator Records hem eind 1984 in Toronto en enkele maanden later in Chicago ziet optreden. Met de belofte van artistieke vrijheid keert hij weer terug naar de studio. Dit resulteert in “When A Guitar Plays The Blues” in 1985, dat een Grammy nominatie krijgt. Dit succes leidt tot succesvolle tournees door de VS, Europa, Australie en Japan. Een jaar later verschijnt “Dancing On The Edge” en zijn twaalfde album “Hot Wires” volgt in 1987.
Het nieuwe succes resulteert ook in nieuwe problemen op het persoonlijke vlak. Roy Buchanan heeft opnieuw problemen van drank en drugs af te blijven. Na een flinke ruzie thuis wordt hij in dronken toestand gearresteerd en meegenomen naar de cel van het politiebureau in Fairfax County, Virginia, om een nacht af te koelen. Daar wordt hij op de ochtend van 14 augustus 1988 dood aangetroffen. Hij heeft zich van het leven beroofd door zich aan zijn shirt op te hangen. De officiële doodsoorzaak luidt dan ook zelfmoord, maar dit wordt door vrienden en familie betwist. Marc Fisher, een van zijn vrienden, zag wonden op het voorhoofd van Roy Buchanan.
Roy Buchanan laat een vrouw, zes kinderen en kleinkinderen na. Hij ligt begraven op het Columbia Gardens Cemetery in Arlington, Virginia.
Wat zich in de nacht precies heeft voorgedaan zal wel nooit helemaal duidelijk worden. Feit is wel dat de wereld is beroofd van een uitzonderlijk goede gitarist, die door zijn virtuositeit veel anderen heeft beïnvloed. Hieronder kunnen onder meer Gary Moore, Danny Gatton en Jeff Beck worden genoemd. Eric Clapton zag hem een keer spelen en noemde hem “...the best in the world” en Jerry Garcia van de Grateful Dead roemde zijn “amazing chops”.
Roy Buchanan was iemand die de mogelijkheden van de elektrische gitaar op onnavolgbaar wijze heeft vergroot. En dit alles door er stoïcijns en onbewogen bij te staan, terwijl hij de mooiste tonen aan zijn instrument ontlokte. Een unieke gitarist.
Brad Hatfield – Uphill From Anywhere
Muziek | CD's
|
10 Mei 2012 | 00:47:49
Brad Hatfield – Uphill From Anywhere
Ik neem aan dat het voor iedere artiest een probleem is om een passende titel voor een nieuwe cd te vinden. Er zijn creatieve en minder creatieve, passende en minder passende voorbeelden te noemen. Maar gezien het levensverhaal van deze Brad Hatfield denk ik dat “Uphill From Anywhere” de lading absoluut dekt. Brad heeft zestien jaar geleden een ernstig ongeluk gehad toen hij in de bouw werkte. Hij raakte verlamd en heeft zich sindsdien weer met veel pijn en moeite langzaam omhoog gewerkt,
hoewel hij nog steeds gekluisterd is aan een rolstoel. Hij speelde destijds gitaar, maar door het beperkte gebruik van zijn arm is hij overgeschakeld op de harmonica.
Voor mij ligt nu de debuut-cd van de inmiddels 41-jarige bluesman uit Cincinnati, Ohio. Er staan elf songs op, waarvan er negen zelf zijn geschreven. Brad wordt begeleid door gitarist Jon Justice, die ook de productie deed, toetsenist (en Brads vaders) Bernie Hatfield, bassist Scot Hornick en drummer Michael Bram. Tevens doen gitarist Dave Gross en harmonicaspeler Dennis Gruenling op enkele nummers mee.
Wat meteen opvalt in het eerste nummer “Witness To My Misery” is Brads rauwe, soulvolle stem en het volle harmonicageluid. “Fit To Be The Fool” is een uptempo nummer en in de ballade “One More Night” legt hij zijn hele hart in ziel in de zang. Het orgel van Bernie en de slidegitaar van Jon Justice geven het nummer een treurig gevoel. Dit wordt gevolgd door het rockende “She Got Time” en de Texasblues “Somebody's Got To Lose”, waarin Brad laat zien een absolute meester op de harmonica te zijn. In “End Of Time” wordt afgerekend met de figuren die het einde der tijden voorspellen. Het is een vlotte song met mooi slidewerk van Juctice en geeft ook nog een duidelijke boodschap mee.
Net als in “One More Night” wordt Hatfield in “Livin' Out The Lie” prachtig ondersteund door de combinatie orgel/gitaar, wat hem de gelegenheid geeft zijn prachtige stem ten volle te gebruiken. De gruzelstem in de akoestische versie van de Son House-song “Death Letter” geeft je gewoonweg rillingen. In het vlotte “Headstrong Baby” zingt hij door zijn microfoon, iets dat altijd een aardig effect sorteert. De harmonica wordt in de shuffle “Too Good To Give Away” gehanteerd door Dennis Gruenling, die een mooie tegenhanger vormt voor de zang. De afsluiter “John The Revelator” wordt a capella gezongen. Mede door de percussie van Michael Bram, die het een effect van de worksong meegeeft blijkt Brads stem in staat je koude rillingen te bezorgen.
Conclusie:
Een heel mooie cd, vooral voor een debuutalbum. Brad Hatfield heeft een rauwe diepe stem met een behoorlijk bereik en hij weet met deze stem en zijn harmonicaspel zijn songs voldoende gevoel mee te geven. Daarnaast is hij een inspiratie voor ons allen. Iemand in zijn situatie, die toch vecht en dit alles weet te presteren. Ik ben van mening dat wij nog veel van hem zullen horen in de toekomst.
Eric Bibb - Deeper In The Well
Muziek | CD's
|
08 Mei 2012 | 07:21:25
Eric Bibb – Deeper In The Well
Als iemand uit een muzikaal nest komt dan is het Eric Bibb wel. Hij werd in 1951 in New York geboren en zijn vader, Leon Bibb maakte toen deel uit van de folkrevival. Pete Seeger en Paul Robeson waren huisvrienden, laatstgenoemde zelfs zijn peetvader, en John Lewis van het Modern Jazz Quartet is zijn oom. Eric kreeg zijn eerste gitaar op zijn zevende en hij kan een virtuoos op het instrument worden genoemd. Buiten de normale 6-snarige gitaar speelt hij ook op een 7-snarige en een 9-snarige, terwijl hij ook op de banjo flink te keer kan
gaan. Hij maakt al sinds vier decennia opnamen en is voor zijn laatste album “Deeper In The Well” in zee gegaan met het Canadese Stony Plain label, dat zich specialiseert in folk, blues en rootsmuziek. En het eerste resultaat mag naam hebben.
Op dit album verkent Bibb zijn blues- en folkafkomst. Hij wordt hierop begeleid door Grant Dermody (harmonica), die een prominente rol toebedeeld heeft gekregen, Dirk Powell (contrabas, accordeon), Cedric Watson (fiddle), Danny DeVillier (drums) en Christina Balfa (cajun triangel). Van de dertien songs zijn er zeven door Bibb geschreven, vier traditionals en twee covers.
Buiten de opener “Bayou Belle”, dat gaat om de vleselijke aantrekkingskracht van een bepaalde vrouw, stralen alle songs een sterke maatschappelijke betrokkenheid uit, hetzij in het verleden dan wel het heden. Hij is op zijn best in de traditionals “Sinner Man” en “Boll Weevil”. Van zijn eigen songs springen voornamelijk “In My Time”, “Sittin' In A Hotel Room” en “Music” eruit. Bob Dylans “The Times They Are A Changin'” krijgt een vloeiende uitvoering.
Conclusie:
Eric Bibb heeft weer een zeer geslaagd album gemaakt. Hij is hierop teruggegaan naar zijn wortels en weet blues en folk samen te smelten tot een coherent geheel. Ook na meer dan veertig jaar vermijdt Bibb in herhaling te vervallen en weet hij nog steeds te boeien.
Persbericht
Muziek | Nieuws
|
06 Mei 2012 | 10:24:13
Persbericht:
Martin Zand Scholten nieuwe bassist
bij Mariëlla Tirotto & the Blues Federation!
Wij zijn blij te kunnen aankondigen dat Martin Zand Scholten per half-juni 2012 als bassist deel uit zal maken van onze band. Hij is afgestudeerd aan het Hilversums Conservatorium, heeft getourd in Europa en de U.S.A. en gespeeld met muzikanten als o.a. Ruben Hoeke, Hans Dulfer, Candy Dulfer, Jan Akkerman, Boris van der Lek , Saskia Laoo envele anderen.
De nieuwe bezetting zal daarom per half-juni 2012 zijn:
Mariëlla Tirotto - zang
Harald Koll- gitaren
Heins Greten - toetsen (piano, Hammond, Rhodes)
Martin Zand Scholten - bas
John Kakiay - drums
Vaste gast: Onny Tuhumena – percussie
Lees hier meer over Marielle Tirotto & the Blues Federation
Tweed Funk - Love Is
Muziek | CD's
|
04 Mei 2012 | 08:51:11
Tweed Funk – Love Is
Ze bestaan nog maar net anderhalf jaar en nu ligt alweer hun tweede cd in de winkel. Over tempo hebben we dus niet te klagen bij Tweed Funk. Na hun eerst album “Bringin' It” van vorig jaar is de bezetting ongewijzigd gebleven, nl. zanger Joseph 'Smokey' Holman, gitarist JD Optekar, drummer Marcus 'MG' Gibbons en bassist/toetsenist Donnie Mac. Verder zijn nog wat mensen ingehuurd voor het blazerswerk, om de Hammond B3 te spelen en ook producer Greg Koch
doet op twee nummers met zijn gitaar mee. Van de tien nummers zijn er zeven door de leden van de band zelf geschreven.
Met de opener “Fine Wine” is meteen duidelijk welke richting we hier nemen: swingende funkblues, ondersteund door blazers, waarop niemand stil kan blijven zitten. Het van Johnny Guitar Watson bekende “A Real Mother For Ya” krijgt hier vooral door de felle gitaar van JD een mooie bewerking. Met de prachtige ballad “Gettin' Home” laten de heren horen dat zij ook de Chicagoblues beheersen. Door de Hammond van Jimmy Voegeli krijgt het nummer een extra donkere dimensie mee. Schreef ik al dat je met het eerste nummer al niet meer kon blijven stilzitten, met “Dancemaker” gaat gegarandeerd iedereen los. Het is funk in de puurste zin van het woord waar Smokey op Voegeli's B3, de blazers en JD's gitaar alle gelegenheid krijgt à la James Brown te keer te gaan. “Pick 'Em Early” is een swingende boogie met een hoofdrol voor de gitaar van JD.
Een lekkere soulballade volgt in de vorm van “Fragile”. Smokey's soulvolle stem laat het lijden voelen, de blazers en gitaar vullen hem prachtig aan. “Smooth Taste” krijgt een latin tintje mee en geeft alle muzikanten de gelegenheid hun kunnen te tonen. Dan volgt een eigen versie van het oude Magic Sam-nummer “What Have I Done Wrong”. De prachtige gitaarsolo, de ondersteuning van de B3 en Smokey's soulvolle stem maken het voor mij het mooiste nummer van deze cd. Via het uptempo “All Over You” komen we bij het sluitstuk aan. Hiervoor heeft Tweed Funk brutaalweg gekozen voor James Browns “Sex Machine” en dat zijn heel grote schoenen die je moet passen. De zang wordt waargenomen door bassist Donnie Mac, die er duidelijk veel plezier aan beleeft. En dat weet hij over te brengen op de luisteraar. Missie gelaagd.
Conclusie:
Was mijn commentaar bij de eerst cd nog dat ik hem te kort vond, deze is gelukkig van normale lengte. En Tweed Funk heeft het vol weten te krijgen met uitstekende, aanstekelijke funky blues. Van het begin tot het eind blijft het album boeien. Ik heb er van genoten en ik weet zeker dat ik de cd nog vaak zal spelen.
The Sauce Boss - Live At The Green Parrot
Muziek | CD's
|
02 Mei 2012 | 07:40:39
Sauce Boss – Live At The Green Parrot
Bill Wharton is een van de weinige unieke figuren in de blues. Ook bekend als The Sauce Boss treedt hij op, kookt voor armen en daklozen en verschijnt op het podium in zijn koksoutfit. Ook tijdens zijn concerten kookt hij en verstrekt hij zijn 'gumbo' aan het publiek. Hij is afkomstig uit de moerassen van Florida en deze 'swamp sound' is nog steeds duidelijk te horen.
Verschenen de eerste cd's nog onder zijn eigen naam, met hooguit de aanduiding The Sauce Boss eronder, de laatste
jaren staat de artiestennaam alleen nog maar vermeld. Op zijn inmiddels dertiende album, dat is opgenomen in de Green Parrot in Key West, Florida, laat hij zich begeleiden door gitarist John Hart, bassist Jassen Wilber en drummer Justin Headley. Voor zover ik heb kunnen nagaan is dit zijn eerste live-cd en het staat van begin tot eind vol met rauwe, ruige blues.
Het begint met Sauce Boss, die roept: “Let Me Tell You My Life Story....” voordat de band invalt met een onverbiddelijke boogie. Hij vertelt over alles wat hij heeft meegemaakt, maar dat het niet erg is, want hij heeft “Killer Tone”. En zo zijn we meteen bij de titel van het nummer aangekomen. In “Smuggler's Cove” staat zijn razendsnelle slidewerk centraal. En zo gaat het in een razend tempo door.
Ik noem nog wat nummers die het waard zijn vermeld te worden. Te beginnen met de shuffle “Gumbo Recipe”, is niet alleen een recept, maar staat ook voor het vreedzaam samenleven van verschillende volkeren om zo een kleurrijk en smaakvol geheel te krijgen. Mooi zijn ook de jagende “Lonesome Rider” en “What Was I Thinking”, hebben beide een fantastische slidesolo en het hartverscheurende gezongen “Out In The Night”. Het ruim zeven minuten lange “Let The Big Dog Eat” bestaat voor het grootste deel uit een opwindende gitaarsolo.
Conclusie:
Met deze cd laat The Sauce Boss horen waartoe hij live in staat is. Denk niet dat het een gelikte en gladde productie geworden is. De schoonheid van zulk werk is hier niet te vinden, maar wie schoonheid ziet in rauwe, eerlijke en ongepolijste blues is met dit album uitstekend bediend. Een aanrader voor de fans van de laatstgenoemde variatie van de blues.
Michael Bloomfield (1943 - 1981)
Muziek | Biografieën
|
27 April 2012 | 09:20:46
Michael Bloomfield (1943 – 1981)
Een van de meest droevige en betreurde figuren uit de blueswereld in de Amerikaanse gitarist Michael Bloomfield. Niet vanwege het gebrek aan talent. Integendeel want dat was in ruime mate voor handen. Bloomfield is een van de weinige echte bluessupersterren uit de zestiger jaren, die deze status slechts vanwege zijn superieure vaardigheid op gitaar heeft kunnen bereiken.
Nee, het treurige komt voort uit het feit dat hij hier helemaal
niet mee kon omgaan. Door zijn verlegenheid hiermee trok hij zich steeds meer terug uit de schijnwerpers nog voordat de absolute top had bereikt. Een ongezonde honger naar harddrugs deed helaas de rest.
Michael Bernard Bloomfield wordt op 28 juli 1943 in de North Side van Chicago als kind van een rijke joodse familie geboren. Zijn familie zat in de catering, maar Michaels voorkeur gaat al vroeg uit naar muziek. Hij krijgt zijn eerste gitaar als hij dertien jaar oud is en wordt dan vooral aangetrokken dor de rock 'n roll van Elvis Presley en diens gitarist Scotty Moore. Maar al snel ontdekt hij de stadsblues van zijn woonplaats. Als tiener al bezoekt hij de bluesclubs aan de Southside en speelt er met oude bluesmannen als Sleepy John Estes, Yank Rachell en Little Brother Montgomery. Hij wordt al snel geaccepteerd door zowel de muzikanten als het publiek. Tijdens deze sessies ontmoet hij o.m. Paul Butterfield, Nick Gravenites, Charlie Musselwhite en Elvin Bishop. Hij richt een eigen bluesclub genaamd de Fickle Pickle op, waar hij oudere artiesten laat spelen en hen goed behandeld en betaald. Big Joe Williams heeft eens gezegd: “You know Mike Bloomfield.... will always treat you right...... come to the Pickle...... every Tuesday night”. Hij duurt niet lang en hij wordt ontdekt door John Hammond, de legendarische scout voor Columbia Records. Voor dit label neemt Bloomfield in 1964 enkele nummers op, die echter pas na zijn dood worden uitgebracht.
Kort daarop sluit hij zich aan bij de eerste versie van de Paul Butterfield Blues Band, waar naast de al genoemde Bishop ook Sam Lay en Jerome Arnold deel van uitmaken. Hun uitgelaten, elektrische blues inspireert een hele nieuwe generatie – meestal blanke – muzikanten en Bloomfields werk op de beide eerste lp's brachten hem zijn eerste faam. Vooral het dertien minuten lange titelstuk van de tweede lp “East West”, waar blues, jazz, psychedelische rock en klassieke Indiase muziek worden gecombineerd, is erg populair. Bloomfields solo's beheersen het stuk en er wordt wel beweerd dat hij werd geïnspireerd door een nachtlange LSD-trip. Een andere verklaring van dit stuk kan zijn dat het is geïnspireerd door het werk van jazzsaxofonist John Coltrane.
Daarnaast is Mike Bloomfield ook een sessiemuzikant, die vooral waardering oogst voor zijn werk met Bob Dylan als deze zijn eerste stappen zet in de elektrische muziek. Zijn werk is mede debet aan de gewijzigde sound van Dylan en is duidelijk hoorbaar op diens “Highway 61 Revisited”, waar hij zijn bluesgitaar laat versmelten met invloeden uit folk en rock. Dylan vraagt hem zelfs om vast lid te worden van zijn begeleidingsband, maar hij slaat dit aanbod af en blijft
de blues spelen bij de Paul Butterfield Blues Band. Bloomfield en zijn collega's Arnold en Lay begeleiden Dylan wel bij diens beruchte optreden tijdens het 1965 Newport Folk Festival, waar deze tot groot verdriet van zijn fans voor het eerst ook live elektrische versterkte muziek ten gehore brengt.
Moe van het inspannende tourschema van de Butterfield Blues Band en lijdend aan chronische slapeloosheid verhuist Bloomfield naar San Francisco waar hij zijn eigen groep begint, Electric Flag. Samen met vrienden uit Chicago, Nick Gravenites en Barry Goldberg richt hij de band op met het doel 'Amerikaanse muziek' te maken, een samenvoeging van blues, soul, country, rock en folk. Het inhuren van drummer Buddy Miles, die hij weghaalt uit de band van Wilson Pickett, en een uitgebreide blazerssectie debuteert de band op het 1967 Monterey Pop Festival. In april 1968 verschijnt het album “A Long Time Comin'”. Hoewel de band om zijn muzikaliteit wordt geroemd valt het album bij de critici tegen. Maar rond die tijd valt de groep al langzamerhand uiteen door allerlei interne ruzies. Het gebruik van drugs, te grote ego's en slechts management zijn er eveneens debet aan.
Ook Bloomfields werk met Al Kooper maakt grote indruk. Met hem heeft hij al samengewerkt achter Bob Dylan. In 1968 verschijnt “Super Session”, waarop Bloomfield op een kant samenspeelt met Al Kooper. Omdat hij weinig tijd heeft in verband met een verbouwing van zijn huis stelt hij Kooper voor, dat deze de tweede kant opneemt met Stephen Stills. De lp wordt zeer goed ontvangen en is het bestverkopende album uit de carrière van Bloomfield. E.e.a. resulteert in een opvolger, “The Live Adventures Of Mike Bloomfield And Al Kooper”, die live wordt opgenomen tijdens drie avonden in de Fillmore West.
Verder gaat Mike Bloomfield als soloartiest. In 1969 brengt hij zijn eerste lp uit, “It's Not Killing Me”. De opvolger “Try It Before You Buy It” wordt een jaar later door Columbia afgekeurd. Hij helpt ook Janis Joplin bij haar album “Kozmic Blues”, waarvoor hij samen met haar “Work Me, Lord” schrijft en gitaar speelt op “One Good Man”. Hetzelfde jaar brengt Columbia het livealbum “Live At Bill Graham's Fillmore West” uit, waar hij wordt begeleid door Mark Naftalin (ex-Butterfield), Marcus Doubleday en Snooky Flowers (beide ex-Electric Flag) en er een gastrol is weggelegd voor Taj Mahal. Samen met Paul Butterfield en Sam Lay begeleidt hij Muddy Waters en Otis Spann op “Fathers And Sons”.
Dan stopt hij vanwege een heroïneverslaving met gitaar spelen.
Pas in 1973 komt een lp van hem uit, “Triumvirate”. Hierop is hij samen met Dr. John en John Hammond Jr. te horen. Het wordt zijn laatste album voor Columbia. In 1974 wordt de Electric Flag nieuw leven ingeblazen, maar dat is maar van korte duur. In 1976 vormt hij samen met Ray Kennedy en Barry Goldberg de band KGB, genoemd naar de eerste letter van hun achternamen. De ritmesectie wordt gevormd door Rick Grech en Carmen Appice. Onmiddellijk nadat het album wordt uitgebracht verlaten Bloomfield en Grech de band met de opmerking dat toch nooit vertrouwen hadden in het project. Bloomfield lijkt tevreden met het spelen in clubs in en rond San Francisco Bay, waar hij vaak meedoet tijdens optredens van andere bands. Hij speelt vaak met de King Perkoff Band, die hij dan introduceert als 'Michael Bloomfield and Friends”. Hij maakt opnamen voor kleinere labels en via Guitar Player Magazine brengt hij een lesalbum uit.
Eind zeventiger jaren veroorzaken drugs- en gezondheidsproblemen onvoorstelbaar gedrag bij Bloomfield. Hij komt regelmatig niet opdagen voor optredens en hij vervreemdt zich van zijn oude vrienden. In de zomer van 1980 toert hij met klassiek gitarist Woody Harris en celliste Maggie Edmondson door Italië. In november van dat jaar staat hij op het podium van het Warfield Theatre in San Francisco met Bob Dylan en speelt mee met “Like A Rolling Stone”.
Er zijn plannen om te gaan toeren in Zweden en er stond een nieuw album in de planning toen Michael Bloomfield op de ochtend van 15 februari 1981 dood werd aangetroffen in zijn 1965 Chevrolet Impala. Hij bleek te zijn overleden aan een overdosis heroïne. De precieze omstandigheden van zijn overlijden zijn niet duidelijk. Er wordt beweerd dat hij tijdens een feestje is overleden aan een overdosis en dat twee mannen hem met zijn auto elders hebben neergezet.
Michael Bloomfield is slechts 37 jaar oud geworden. Hij ligt begraven op Hillside Memorial Park in Culver City, Californië.
Michael Bloomfield was een van de eerste grote blanke Amerikaanse bluesgitaristen. Zijn vloeiende, expressieve solo's vormen de hoogtepunten van veel werk van de Butterfield Blues Band en Bob Dylan en zijn techniek was niets minder dan grandioos te noemen. Zoals ook hij voorbeelden had in mensen als B.B. King en Freddie King, zo is hij ook het voorbeeld van generaties jongere gitaristen.