barnowlblues.punt.nl
by Eric Campfens
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
0 Dave Peabody
 
 
 
 
 
 
 







Lees meer...
 
Albert Clifton Ammons werd geboren in maart 1907 in Chicago. Als jonge man leerde hij het piano spelen voornamelijk van Jimmy Yancey, die een grote invloed had op de bluespianisten van Chicago door zijn werk op rent parties en andere gelegenheden. Ammons werkte samen met andere pianisten uit zijn stad en deze groep vormde een tegenpool voor de stridepianisten in Harlem, zoals Fats Waller en Count Basie. Tot deze club vrienden behoorden buiten Ammons en Yancey o.m. Clarence 'Pine Top' Smith, Jimmy Blythe, Cripple Clarence Lofton, Hersal Thomas en Meade Lux Lewis. Lewis en Smith hadden al in de twintiger jaren opnamen gemaakt en onder de bluespianisten waren zij de pioniers in wat later de boogie woogie zou gaan worden.
Albert Ammons had allerlei normale baantjes, leidde zijn eigen combo en werkte voor andere bandleiders tot zijn grote doorbraak kwam: een vaste stek in Club DeLisa, de belangrijkste nachtclub op Chicago's Southside. Dit contract, dat in 1935 begon, leidde tot zijn ontdekking door John Hammond en de eerste opnamen voor Decca in februari 1936.
In 1938 werd Ammons uitgenodigd voor het inmiddels legendarische Spirituals to Swing concert in de Carnegie Hall in New York in 1938. Hij begeleidde daar Sister Rosetta Tharpe en Big Bill Broonzy en had daar ook een eigen optreden met "Boogie Woogie". Daarnaast speelde hij daar nog samen met zijn vriend Meade Lux Lewis en de uit Kansas City afkomstige Pete Johnson.
Naar aanleiding van dit optreden speelden de drie pianisten de komende jaren regelmatig samen, als duo in verschillende combinaties en als trio. Regelmatig voegde zanger Joe Turner zich bij hen. Zij maakten opnamen voor Vocalion, Blue Note en Victor. Naast de reguliere optredens verschenen zij in films en op de radio. In de herfst van 1941 hadden Ammons en Johnson een eigen 2,5 uur durende radioprogramma op WABC in New York.
In 1944 maakten Ammons twee keer opnamen voor Commodore; één als solo-artiest en de andere waarin hij werd begeleid door zijn band de Rhythm Kings. Een jaar later keerde hij terug naar Chicago, waar hij een nieuwe Rhythm Kings oprichtte en met hen ging optreden en opnamen maakte.
Tot die tijd was het gebruikelijk dat de blues of simpele jazzdeuntjes als basis voor de Boogie Woogie diende. Albert Ammons gebruikte echter ook normale popliedjes, zoals "Deep In The Heart Of Texas", "Roses Of Picardy" en "Swanee River" en maakte er met zijn rollende linkerhand echte boogie woogie van, waarmee hij bewees dat men ieder muziekgenre kan gebruiken. Zijn bewerking van het laatste nummer stond jaren later overigens model voor "Swanee River Hop" van Fats Domino.
 
In 1948 werd hij uitgenodigd om te spelen op de Inauguration Ball van President Truman. Tijdens dat optreden werd hij plotseling ziek en leed sindsdien aan ernstige hartproblemen. Aan deze ziekte zou hij in december 1949 komen te overlijden.
 
Lees meer...   (6 reacties)
Als er een lijst wordt samengesteld van de meest invloedrijke gitaristen dan zullen de drie “Kings” daar ongetwijfeld niet op ontbreken: Freddie, B.B. en Albert. Er is geen enkele twijfel over hetgeen deze drie naamgenoten hebben betekend voor de toekomst van de blues, soul en rock 'n roll. De drie zijn, ondanks dezelfde achternaam, geen familie van elkaar, hoewel Albert wel eens beweerde dat B.B. en hij halfbroers waren. Elk van hen beïnvloedde een hele generatie jonge spelers op hun eigen manier en met hun eigen stijl.
Albert King werd als Albert Nelson geboren op 25 april 1923 in Indianola, MS. Dit was toevallig ook de geboorteplaats van B.B. King en de twee zullen elkaar daar ongetwijfeld ook zijn tegengekomen. Albert was een van dertien kinderen en hij bracht zijn jeugd grotendeels door met het plukken van katoen op de plantages van Osceola, AR, waar hij met zijn familie naar toe verhuisde in 1931. Zijn eerste kennismaking met muziek kwam met het zingen in de kerk en het gitaarspel van zijn vader Will Nelson. Daarnaast was het beluisteren van de platen van Blind Lemon Jefferson en Lonnie Johnson een grote inspiratiebron voor de jonge Albert en hij probeerde deze na te spelen op een van een sigarenkistje zelfgemaakte gitaar of een diddley-bow. Zijn eerste echte gitaar kreeg hij in 1942. Hij speelde eerst met plaatselijke gospelgroepen, maar omdat hij gefascineerd was door het spel van de bluesmuzikanten die het nabijgelegen West-Memphis, AR aandeden, stapte hij gaandeweg over naar de blues. Vooral het werk van Robert Nighthawk en Elmore James sprak hem erg aan.
King was een grote, imposante kerel van ruim 1.90 meter met een gewicht van meer dan 110 kilo. Hij was linkshandig en leerde zichzelf spelen op een rechtshandige gitaar, die hij gewoon omdraaide zonder de snaren om te zetten. Deze aparte speelstijl (hij moest de snaren omlaag trekken, waar anderen deze omhoog duwden) zorgde voor een apart geluid, dat vooral door jonge rockartiesten gretig werd gekopieerd. Ook stond hij bekend om zijn chagrijnige buien en droeg hij een revolver met zich mee. Hij speelde niet graag samen met artiesten, die beter waren. Als King op het podium stond wilde hij ook het middelpunt te zijn.
 
In 1950 ontmoette hij M.C. Reeder, de eigenaar van de T99 Nightclub in Osceola, waar hij zich aansloot bij de huisband, de In The Groove Boys. Deze traden behalve in de eigen club ook in de omgeving op en zij waren ook op de plaatselijke radio te horen. Tijdens de eerste jaren van zijn muzikale carrière werkte hij in de bouw als chauffeur van een bulldozer. Hij verhuisde regelmatig om zijn fortuin als muzikant te zoeken. In de laat veertiger jaren woonde hij in St. Louis om later te verhuizen naar Gary, IN, waar hij in een band speelde, waarin de Jimmy Reed en John Brim al de gitaar bespeelden. Hier nam hij noodgedwongen plaats achter het drumstel. In deze periode besloot hij zich Albert King te noemen.
Vervolgens vertrok hij op uitnodiging van Willie Dixon in 1953 naar Chicago waar hij zijn eerste opnamen maakte voor het Parrot label. “Bad Luck Blues”/”Be On Your Merry Way” had hij plaatselijk wat succes, maar King vond dat hij er te weinig aan overhield en hij keerde begin 1954 terug naar Osceola, waar hij zich weer aansloot bij The In The Groove Boys.
              
In 1956 verhuisde hij weer naar St. Louis. In St. Louis bestond toen een levendige bluesscene en King moest daar tegen de populariteit van Ike Turner en Little Milton opvechten. In deze jaren begon hij de Gibson Flying V te bespelen, waarmee hij later bekend zou worden en die hij 'Lucy' doopte. Hij maakte opnamen voor het platenlabel Bobbin, waar hij werd begeleid door een pianist en blazers, waardoor zijn stijl meer in de buurt kwam van jump blues dan de Mississippi- of Chicagoblues. Toch bleef zijn gitaarspel dominant en had hij al zijn typische krachtige stijl ontwikkelt. In 1961 bracht hij “Don't Throw Your Love On Me So Strong” uit waarmee hij in de nationale R&B-lijst naar de 14e plaats opklom. King nam een sessie op voor het plaatselijke label King Records. Deze waren meer popgeörienteerd en hadden weinig succes. Vervolgens tekende hij voor het Coun-Tree label van jazz-zanger Leo Gooden. Maar vanwege het feit dat Gooden jaloers was op Kings groeiende populariteit in Missouri en Chicago liet hij hem weer snel vallen.
 
In 1966 keerde hij weer terug naar zijn geboortestreek toen hij zich in Memphis vestigde en onder contract kwam van het pasgestarte soullabel Stax. Hij werd daar begeleid door de huisband Booker T. & the MGs, die Kings nummers een soulachtige sound meegaven, en in korte tijd verschenen een aantal succesvolle singles, waaronder “Laundromat Blues” in 1966 en een jaar later “Crosscut Saw” en “Born Under A Bad Sign”. Deze en nog een paar nummers verschenen dat jaar op de lp “Born Under A Bad Sign”, die de inmiddels 43 jaar oude King haast onmiddellijk onder de aandacht bracht van het grote publiek.
 
Op 1 februari 1968 trad King in één show op met John Mayall en Jimi Hendrix tijdens het openingsconcert van The Fillmore Auditorium in San Francisco. Hier zou King nog vele malen terugkeren en een aantal van deze shows zijn later op de plaat uitgebracht. Hetzelfde jaar gebeurde dat al met het uitbrengen van het later dat jaar opgenomen “Live Wire / Blues Power”, dat een van de bestverkocht live bluesplaten ooit zou worden. Begin negentiger jaren werden nog "Wednesday Night In San Francisco: Recorded Live At The Fillmore Auditorium" and "Thursday Night In San Francisco: Recorded Live At The Fillmore Auditorium", die tijdens dezelfde serie shows waren opgenomen uitgebracht.
Begin 1969 verscheen zijn eerste echte studio-lp: “Years Gone By”. King bleef opnamen maken voor Stax totdat het label halverwege de zeventiger jaren ophield te bestaan. Hij wist iedereen regelmatig te verrassen met, voor een bluesmuzikant, vreemde maaksels. In 1969 was hij bv. de eerste bluesmuzikant die opnamen maakte met een symfonie-orkest. Het album “Lovejoy” werd met blanke 'southern rockers' opgenomen en hij bracht ook een tribuut aan Elvis Presley uit met “Blues For Elvis: Albert King Does The King's Things”. Ook was hij te vinden op een lp van komiek Albert Brooks. In 1972 verscheen “I'll Play The Blues For You”, waarop hij werd begeleid door de Bar-Kays, de Memphis Horns en de Movement. Deze plaat was diepgeworteld in de blues, maar liet ook duidelijk soul en funk horen.
 Nadat Stax door financiële problemen ophield te bestaan werden twee lp's voor Utopia, een sub-label van RCA, gemaakt. Op deze lp's werden duidelijk concessies gedaan en werd een meer commerciële soulrichting ingeslagen. In 1978 tekende hij bij Tomato, waar hij de blues weer terugvond. Deze lijn zette hij in 1983 voort toen hij voor Fantasy tekende. In dat jaar nam hij ook een sessie op met Stevie Ray Vaughan. Deze zou zo'n kleine twee decennia later op cd en dvd worden uitgebracht als “Albert King & Stevie Ray Vaughan: In Session”. Verplichte kost voor de ware bluesliefhebber.
Halverwege de tachtiger jaren besloot hij met pensioen te gaan, maar daar kwam niet veel van terecht. Ondanks het feit dat hij geen opnamen meer maakte trad hij nog wel op in Amerika en Europa en verscheen hij ook nog op cd's van anderen, waaronder “Cuttin' Loose” van Chris Cain en “Still Got The Blues” van Gary Moore.
 
Albert King gaf zijn laatste concert op 19 december 1992 in Los Angeles. Twee dagen later overleed hij in zijn huis in Memphis aan een hartaanval. Tijdens de begrafenis werd Kings lichaam in processie in New Orleans-stijl door Beale Street gereden en werd hij aan de overkant van de Mississippi begraven op Paradise Gardens Cemetery in Edmondson, AR. Niet ver van waar hij zijn jeugd doorbracht.
De invloed van Albert King is haast niet te beschrijven. Hij wordt nog steeds alom gerespecteerd. Stevie Ray Vaughan, van wie later opnamen met Albert King zou worden uitgebracht, noemde hem “Daddy” en B.B. King zei dat, hoewel Albert geen echte broer was, hij wel een broer in de blues voor hem was. The Blues Foundation heeft Albert King terecht opgenomen in hun Hall of Fame.
 
Lees meer...   (2 reacties)
Het verhaal van de Allman Brothers Band is er een van triomf, tragedie, succes, uiteenvallen en opnieuw succes. In de afgelopen 40 meer zijn zij van Amerika's meest invloedrijke band vervallen tot een groep, die uitsluitend op haar oude successen teerde tot een van de meest gewaardeerde rockacts van hun tijd. In de eerste helft van de zeventiger jaren was de Allman Brothers Band een van de meest succesvolle en invloedrijkste band van Amerika.
Zij zetten een nieuwe norm wat betreft de positie van rock- en bluesmuziek. Zij mengden blues, country, jazz, rock en zelfs klassieke muziek tot een krachtige mix. Ook hun superlange jams, waarin zij bestaande songs verlengden en er 30 tot 40 minuten durende muziekstukken van maakten, waren legendarisch. En daarbij gaven zij hun muziek dat karakteristieke zuidelijke karakter mee en creëerde zo en-passant een geheel nieuwe muziekstijl: de Southern Rock.
 
De groep bestond uit de gebroeders Allman: Duane (1946) op gitaar en Gregg (1947) als zanger en op orgel. De band werd gecompleteerd door gitarist Dickey Betts (1943), bassist Berry Oakley (1948) en de twee drummers Claude 'Butch' Trucks (1947) en Jaimoe 'J.J.' Johanson (1944). Duane en Gregg hielden van soul en R&B en waren gek van het geluid, die de Engelse bands naar Amerika brachten. Hun eerste band heette The Escorts en leek erg veel op de Beatles en Rolling Stones. Later noemden zij zich de Allman Joys en gingen wat meer lijken op bands als Cream. Toen volgde Hour Glass, die twee lp's uitbracht op het Liberty label. Toen Liberty een derde lp afkeurde viel de band uiteen.
Duane Allman begon te werken als sessiegitarist bij de Muscle Shoal studio's in Alabama. En het was daar dat hij, als begeleider op platen van Wilson Pickett, Aretha Franklin, John Hammond en King Curtis, zijn reputatie begon te vestigen. Hij liet zich door Phil Walden (voormalig manager van Otis Redding) overhalen een eigen band op te richten. Jamoe sloot zich aan en ook Duane's oude vriend Butch Trucks voegde zich al snel bij hen. Een andere oude vriend Berrie was er ook al snel bij, samen met diens vriend Dickey. Tijdens een marathonjam was het Allman duidelijk dat hij een band bij elkaar had. Alleen de zanger ontbrak nog, maar die kwam al snel in de vorm van zijn broer Gregg. De band tekende een contract bij Phil Waldens nieuwe label Capricorn Records.
                       
Zij vestigden zich in Macon, Georgia. De eerste lp werd echter pas opgenomen toen zij hun sound hadden ontwikkeld door veel en intensief te toeren in en rond Florida en Georgia. Het simpelweg “Allman Brothers Band” genoemde debuutalbum was een solide bluesrock-lp en één van de betere voorbeelden van flitsend gitaarwerk in een markt dat datzelfde jaar werd overspoeld door albums van Cream, Blind Faith, Jeff Beck en Led Zeppelin. De verkoop was niet sensationeel te noemen, maar ieder die het hoorde en ook de recensenten waren vol lof. Het gitaartandem, de soulvolle stem en de stevige ondersteuning door de ritmesectie zorgden voor een geheel eigen geluid. Voor het tweede album, “Idlewild South” werd producer Tom Dowd, bekend van zijn werk met Cream, aangetrokken. Dit bleek een gouden greep te zijn. Down en de band voelden elkaar perfect aan. Op deze lp deed Dickey Betts zijn eerste stappen als componist met het magistrale “In Memory Of Elizabeth Reed”.
Naast het werk voor de Allman Brothers Band bleef Duane een veelgevraagd gitarist. Zo speelde hij onder meer mee op het debuutalbum van Boz Scaggs en is hij veelvuldig te horen op “Layla & Other Assorted Lovesongs” en het jaren later uitgebracht “Jams” van Derek & the Dominos, waar hij samen met Eric Clapton het ene na het andere juweeltje aflevert.
Rond deze tijd werd de band legendarisch vanwege het complexe samenspel tussen beide gitaristen en het orgel van Gregg, dat ontaarde in soms wel 40 minuten durende jamsessies. In maart 1971 gaf de band een aantal concerten in de Fillmore East. Hiervan verscheen in oktober van hetzelfde jaar de dubbel-lp “At Fillmore East”, dat bij verschijnen al een gouden plaat had behaald.
 
In Memory Of Elizabeth Reed – 1970
 
Helaas sloeg enkele weken later het noodlot toe toen Duane Allman op 29 oktober 1971 kwam te overlijden na een motorongeluk. Hij moest toen nog 25 jaar worden.
De band was al bezig met de opnamen voor het volgende album, “Eat A Peach”, dat met de vijf overgebleven leden werd afgemaakt. Dickey Betts nam hier alle gitaarpartijen voor zijn rekening. Ook deze lp behaalde onmiddellijk de gouden status. Ondanks het wegvallen van een van de broers bleef de band onder de gebruikte naam bestaan. In plaats van een poging om Duane te vervangen werd besloten pianist Chuck Leavell aan te trekken.
Op 12 november 1972, iets meer dan een jaar na het overlijden van Duane, kwam bassist Berrie Oakley ook tijdens een motorongeluk om het leven. Slechts een paar straten verwijderd van de plaats waar Duane verongelukte. Ook hij was pas 24 jaar oud.
 
Lamar Williams verving Oakley en hielp bij het afmaken van het volgende album “Brothers And Sisters”, dat op 1 augustus 1973 werd uitgegeven. Om het gat tussen dit en het vorige album op te vullen werden de eerst beide lp's als een dubbelaar “Beginnings” uitgebracht. Deze kwam overigens hoger in de lijsten terecht als de originele lp's.
“Brothers And Sisters” was het begin van een nieuw tijdperk voor ABB: minder blues en meer country. Dat kwam vooral door de invloed van Dickey Betts als componist en leadgitarist en hij leidde de band meer naar de countryrock. Betts werd ook steeds meer de leidende figuur binnen de band. De lp bleef zes weken op de eerste plaats van de verkooplijsten staan, dit vooral gesteund door het hitsucces van “Ramblin' Man”.
Een hele serie Southernrock-bands als Lynyrd Skynyrd, Blackfoot, Little Feat en Wet Willie volgden het voetspoor van ABB.

 
In 1974 werden de eerste wrijvingen tussen de bandleden zichtbaar toen zowel Gregg Allman als Dickey Betts een solocarrière begonnen door hun eigen lp's op te nemen. Allman trouwde zangeres Cher en de door hem gevolgde Hollywood-levenstijl verwijderde hem duidelijk van de band. En het exorbitante gebruik van drugs en drank, de uitputtende tournees deden de samenwerking verder geen goed.
De problemen werden vooral duidelijk door de volgende lp, “Win, Lose Or Draw”, waar de intensiteit van hun vroegere werk duidelijk ontbrak. De hele band was niet aanwezig voor een deel van de lp en door Gregg Allmans relatie met Cher en zijn zware drugsprobleem, deed hij niet mee met de rest. Zijn stem werd later, aan de andere kant van het land, toegevoegd. De band viel uiteindelijk twee jaar later uiteen toen Allman betrokken werd bij een rechtszaak, waarbij hij moest getuigen tegen een vriend en medewerker van de band. Leavell, Johanson en Williams stapten uit ABB en vormden het matig succesvolle Sea Level. Betts ging door met zijn solocarrière en allen zworen nooit meer met Allman te willen samenwerken.
Capricorn bracht nog twee lp's uit met oud materiaal. “Wipe The Windows, Check The Oil, Dollar Gas” waren nooit eerder uitgebrachte live-opnamen uit de tijd van “Brothers And Sisters” en “And The Road Goes On Forever” was een compilatie-album.
 
In 1978 kwam de Allman Brothers Band weer bij elkaar en in de komende vier jaar werden een aantal albums van wisselende kwaliteit uitgebracht. “Enlightened Rogues” uit 1979, geproduceerd door Tom Down, kwam nog het dichtst in de buurt van hun oudere werk. Dowd was nu ook weer in staat het beste uit de groep naar boven te halen. Met gitarist Dan Toler werd het gitaristentandem in ere hersteld, maar zowel Leavell als Williams weigerden mee te doen.
De tijd werkte nu ook tegen ze. Disco, punk en pop hadden de interesse van het grote publiek voor de grote stadionvullende rockacts overgenomen. Daarbij kwam dat hun financiën praktisch verdwenen waren door het faillissement van Capricorn. Polygram nam de rechten over en bevrijdde ABB van hun contract.
 
Zij tekenden bij Arista en hervatten het maken van opnamen. Maar wat zij nu uitbrachten was veilig, zonder ambitie en commerciële pop/rock en niet meer vergelijkbaar met het vroegere werk. In de rest van de tachtiger jaren gebeurde er niet veel. Pas in 1989 werd de band gereactiveerd toen Polygram besloot een 4-cd boxset uit te brengen met oud werk onder de naam “Dreams”. Tevens werden de albums op cd opnieuw uitgebracht en dit herinnerde de miljoenen fans over de hele wereld aan de Allman Brothers Band.
De band kwam weer bijeen, nu met Warren Haynes als tweede leadgitarist naast Dickey Betts. Hun eerste nieuwe cd “Seven Turns”, die in 1990 verscheen oogste goede reacties en verkoopcijfers. Hun volgende studio-albums werden met weinig enthousiasme ontvangen en dat geldt ook voor de live-cd's “An Evening With The Allman Brothers Band” uit 1992 en “2nd Set” uit 1995. Niet vanwege het zwakke materiaal, maar omdat de competitie met hun opvolgers – die de afgelopen decennia niet stil hadden gezeten – erg groot was.
 
Dreams – 2003
 
Na hun drugs- en drankproblemen achter zich gelaten te hebben wordt er ook weer consistent gemusiceerd. Dickey Betts werd zelfs ontslagen omdat hij vaker dronken dan nuchter verscheen. In 2003 kwam de tot nog toe laatste studio-cd uit, “Hittin' The Note”. Kwalitatief een prima cd, maar ook deze komt qua verkoopcijfers niet in de buurt van het oude werk. Toch blijft de ABB een grote publiekstrekker. Zeker met de jonge meestergitarist Derek Trucks (neefje van drummer Butch Trucks) trekt de band nog steeds volle zalen. Verschillende leden hebben daarnaast een eigen carrière. Warren Haynes heeft de uiterst succesvolle Gov't Mule en Derek Trucks heeft zijn eigen Derek Trucks Band of trekt met Eric Clapton de wereld rond.
Onlangs heeft Gregg Allman een succesvolle levertransplantatie ondergaan en er zijn plannen voor nieuwe studio-opnamen in de herfst.
 
Zie ook:                    Nieuwe cd van Gregg Allman: Low Country Blues
Lees meer...   (6 reacties)
Het is toch droevig als je de grootste rocker aller tijden aan zijn eerste hit hebt geholpen, maar dan hebt moeten zeuren om de betaling van royalty's. De eerste hit van Elvis Presley, over die heb ik het, was Crudups “That’s Alright Mama”, maar ook nummers als “My Baby Left Me” en “So Glad You’re Mine” heeft hij opgenomen en worden door tientallen anderen gespeeld. En toch heeft hij altijd een gewone baan moeten aanhouden, omdat hij met zijn muziek niet genoeg kon verdienen om zijn gezin te onderhouden. Hij werd soms wel ‘The Father Of Rock ’n Roll’ genoemd, een titel die hem verwarde en alleen maar cynisch maakte.

Arthur Crudup wordt op 24 augustus 1905 geboren in het plaatsje Forest, Mississippi. Een aantal jaar leeft hij als rondreizende arbeider door het Zuiden en Midwesten van de VS. Met zijn familie keert hij in 1926 terug naar Mississippi. Hij zingt dan gospel in kerkkoren en pas rond zijn dertigste begint hij met gitaar spelen en gaat verder als blueszanger in en rond Clarksdale. Als lid van de zanggroep Harmonizing Four brengt Crudup in 1939 een bezoek aan Chicago. Terwijl de rest van de groep doorreist besluit hij te blijven en zijn geluk als soloartiest te beproeven. Maar als straatzanger weet hij maar nauwelijks het hoofd boven water te houden. Hij woont in een verpakkingskist onder de door de stad lopende verhoogde treinrails.
Platenproducent Lester Melrose ziet hem spelen, ziet ook waar hij woont en brengt hem onder bij Tampa Red, die meer bluesartiesten bij hem thuis opvangt. Hij leert daar o.m. Big Bill Broonzy, Lonnie Johnson en Lil Green kennen en als hij op een feestje in Tampa's huis optreedt zijn die zo onder de indruk van hem dat ze bij Melrose aandringen met Crudup opnamen te maken. Hij brengt hem onder bij het Bluebird label van RCA Victor.
Hier maakt hij halverwege de veertiger jaren opnamen als "Rock Me Mama", "Who's Been Foolin' You", "Keep Your Arms Around Me", "So Glad You're Mine" and "Ethel Mae”, waarmee hij de hoogste regionen van de R&B-lijsten bereikt. Met zijn vaste begeleiders Ransom Knowlin op bas en Judge Riley op drums neemt hij in 1946 het origineel van “That’s All Right” op, dat op dat moment geen hit wordt.
 
Bij RCA maakt hij eind veertiger jaren opnamen en begin vijftiger jaren doet hij dat bij Ace, Checker en Trumpet. Hij toert het hele land door, maar speelt vooral in ‘zwarte’ kroegen en andere gelegenheden in het zuiden van de VS. Rond 1948 is hij regelmatig samen met Sonny Boy Williamson II en Elmore James te zien. Naast zijn eigen naam gebruikt hij ook de namen Elmer James en Percy Lee Crudup, dit om problemen met het werken voor diverse platenmaatschappijen te voorkomen. In het zuiden is hij populair door hits als “Mean Old ‘Frisco Blues”, “Who’s Been Foolin’ You” en “That’s All Right”.
Al deze tijd heeft hij een gewone baan om de geringe inkomsten, die hij met zijn muziek heeft, op te vangen. Zijn laatste opnamen in Chicago vinden plaats in 1951. Opnamen voor het Victor label worden van 1952 tot 1954 gemaakt bij het radiostation WGST in Atlanta, Georgia. In verband met zijn constante strijd over royalty's stopt hij in de vijftiger jaren met het maken van opnamen. Hij keert terug naar Mississippi, waar hij als bootlegger zijn geld verdient. Later verhuist hij naar Virginia, waar hij als arbeider werkt om zijn geringe inkomen als muzikant aan te vullen.
Pas in 1961 keert hij weer terug naar de studio waar hij opnamen maakt voor Fire Records. Als Bob Koester een tip krijgt van Big Joe Williams gaat hij op zoek naar Crudup, die weer als boerenknecht werkt. Hij neemt hem onder contract bij zijn Delmark-label en hij begint ook weer met toeren. Eindelijk begint hij met muziek wat geld te verdienen.
                  
Arthur Crudup woont dan met zijn vrouw, drie zoons en nog wat andere familieleden in relatieve armoede in Virginia. In het begin van de zeventiger jaren proberen twee activisten, Celia Santiago en Margaret Carter hem te helpen bij het alsnog binnenhalen van de royalty's, waarop hij dacht recht te hebben. Helaas hebben zij hier weinig succes mee.
 
In 1969 toert hij door Engeland, waar hij “Roebuck Man” opneemt met wat locale muzikanten. En in 1972 doet hij een toernee door Australië en in 1973 verschijnt een film, een documentaire gewijd aan zijn leven, “Out Of The Black, Into The Blue”. Zijn laatste professionele optreden was tijdens een tournee met Bonnie Raitt enkele maanden voor zijn dood.
Op 28 maart 1974 komt Arthur ‘Big Boy’ Crudup in het Nassawadox ziekenhuis in Northampton County te overlijden aan de gevolgen van een hartinfarct.
 
Arthur 'Big Boy' Crudup beperkte zich niet tot één stijl; hij speelde R&B, akoestische Deltablues en elektrische Deltablues en durfde verder nog wel eens een ander uitstapje te maken. Onder zijn nummers waren een aantal klassiekers, die door artiesten als B.B. King, Big Mama Thornton, Bobby Bland en, niet te vergeten, Elvis Presley. Daarom is het zo sneu dat hij nooit de waardering in zowel financiële als bewonderende vorm voor heeft gekregen.

 
 
 
 
 
 
My Baby Left Me

Lees meer...   (3 reacties)
Over de hele wereld wordt hij gezien als de Koning van de Blues en zonder enige twijfel is B.B. King dé belangrijkste elektrisch gitarist van de afgelopen vijftig jaar. Zijn bending- en staccatostijl hebben generaties blues- en rockgitaristen beïnvloed, terwijl zijn volle en soulachtige stemgeluid een goede tegenhanger vormt voor zijn gepassioneerde gitaarspel. Tussen 1951 en 1985 heeft hij een indrukwekkend aantal van 74 songs gehad, die de Billboard R&B-lijsten hebben bereikt en hij was een van de weinige bluesartiesten, die een grote hit had in de poplijsten (“The Thrill Is Gone”, 1969). Hij heeft meer dan vijftig albums uitgebracht en vele daarvan zijn bluesklassiekers geworden.
De oorsprong van Kings talent wortelt diep in de bluesrijke Mississippi Delta, waar hij als Riley B. King op 16 september 1925 in de buurt van het plaatsje Itta Bena wordt geboren als kind van Albert King en Nora Ella Farr. Zijn vader verlaat zijn gezin als Riley nog heel jong is. Deze woont dan afwisselend bij zijn moeder en oma. Zijn moeder hertrouwt snel weer. Als jongeman werkt hij op het land als boerenknecht en al heel jong zingt hij de gospel in de Elkhorn Baptist Church in Kilmichael, waar zijn oma woont. Als twaalfjarige koopt hij zijn eerste gitaar voor 15 dollar. In 1943 verhuist Riley naar het eveneens in de Mississippi Delta gelegen Indianola, waar hij op de straathoeken zingt om wat geld bij te verdienen. Ook speelt hij gitaar bij het St. John's Quartet. Soms is hij op een dag wel in vier verschillende plaatsen te zien.
Country en gospel laten een onuitwisbare indruk na op King, samen met de speelstijl van groten als T-Bone Walker, Lonnie Johnson en Charlie Christian. Na een verblijf in militaire dienst vertrekt Riley in 1946 naar Memphis om op zoek te gaan naar een neef, die inmiddels als bluesman naam heeft gemaakt: Bukka White. In de komende tien maanden leert deze Riley de fijnere kneepjes van het gitaarspel. Alleen diens typerende slidetechniek weet Riley maar niet onder de knie te krijgen, maar daar vindt hij wat anders op.
 
Hij gaat daarop met zijn vrouw Martha nog even terug naar Indianola om het vak als boer weer op te nemen, maar laat 1948 keert hij terug naar Memphis en nu om er voorlopig te blijven. Zijn eerste kans hiervoor komt als hij in het programma van Sonny Boy Williamson op KWEM uit West-Memphis, AR optreedt. Dit leidt tot een vast contract bij de 16th Avenue Grill in deze plaats. Het radiostation WDIA had kort daarvoor besloten uitsluitend programma's gericht op de zwarte bevolking uit te zenden. Als de vaste DJ Maurice “Hot Rod” Hulbert er vertrok neemt King zijn programma over. Hij heeft in de clubs van Memphis en West-Memphis al naam gemaakt en kan door zijn contacten met clubeigenaars bij de radio terecht. Zijn programma, King’s Spot, wordt gesponsord door een alcoholisch middeltje met de naam Peptikon. King wordt dus op de radio eerst bekend als 'The Peptikon Boy', maar dat wordt al snel gewijzigd in 'Beale Street Blues Boy'. Later kort hij het af tot 'Blues Boy' en vervolgens gewoon tot 'B.B.'. Zijn programma wordt steeds populairder en al snel omgedoopt in Sepia Swing Club.
 
In 1949 volgt de echte doorbraak voor King. Hij neemt zijn eerste vier nummers op voor Bullet Records, waaronder één, die hij opdraagt aan zijn vrouw: “Miss Martha King”. Daarna tekent hij een platencontract bij het in Los Angeles gevestigde RPM Records van de gebroeders Bihari. In de komende jaren neemt hij in Memphis voor RPM een veeltal aan nummers op. Veel van de opnamen worden geproduceerd door de jonge Sam Phillips, die later Sun Records zal oprichten. Phillips is dan al producent van Howlin' Wolf, Rosco Gordon en radiocollega van King bij WDIA, Rufus Thomas.
De gebroeders Bihari nemen zelf ook een deel van Kings vroege werk op met behulp van mobiele opname-apparatuur. Kings eerste hit “Three O'Clock Blues” wordt bijvoorbeeld in de YMCA in Memphis opgenomen. Tot Kings vaste partners behoren in die tijd zanger Bobby Bland, drummer Earl Forest en zanger/pianist Johnny Ace. Als King op tournee gaat om “Three O'Clock Blues” te promoten geeft hij zijn vaste begeleidingsband, the Beale Streeters, aan Ace.
In 1956 spelen King en zijn band het onwaarschijnlijk aantal van 342 keer. En dit toeren heeft hij nog steeds niet afgeleerd. Hij haalt in zijn goede jaren een gemiddelde van 300 optredens per jaar.
Rond deze tijd noemt King zijn gitaar voor het eerst 'Lucille'. Volgens het verhaal, dat hij zelf vertelt, speelde hij eens in een klein stadje in Arkansas, genaamd Twist. Tijdens zijn optreden breekt een vechtpartij overeen vrouw uit. Tijdens dit gevecht wordt een kachel omgestoten die het zaaltje binnen de kortste keren in lichterlaaie zet. Samen met de anderen vlucht King naar buiten, terwijl hij zich realiseert dat zijn dertig dollar dure gitaar nog binnen staat. Hij gaat terug het brandende zaaltje in en redt zijn gitaar uit de vlammen. Later hoort King dat de vrouw om wie de vechtpartij was ontstaan Lucille heet. Vanaf dat moment noemt B.B. King zijn gitaar 'Lucille'. Inmiddels hebben veel van Kings gitaar deze naam gedragen en Gibson heeft zelfs een kleine serie onder deze naam uitgebracht.
                     
B.B. scheidt in 1952 van zijn vrouw Martha Lee Denton, met wie hij in 1946 is getrouwd. In de vijftiger jaren wordt King een gigantische hitmachine. Hij neemt zijn nummers nu meestal op in Los Angeles voor RPM en opvolger Kent. Door het uitgebreide toeren moet hij zijn baantje bij de radio in Memphis opgeven. In deze jaren scoort hij hits met nummers als "You Know I Love You" (1952), "Woke Up This Morning" en "Please Love Me" (1953), "When My Heart Beats like a Hammer", "Whole Lotta' Love" en "You Upset Me Baby" (1954), "Every Day I Have the Blues", het dromerige "Sneakin' Around" en "Ten Long Years" (1955), "Bad Luck", "Sweet Little Angel" en het Platters-achtige "On My Word of Honor" (1956) en "Please Accept My Love" in 1958. In de loop van het decennium wordt ook zijn gitaarspel agressiever en scherper en krijgt het het geluid dat een aantal jaren later zo van invloed zal zijn op een legioen jonge, voornamelijk blanke, muzikanten. Hij krijgt een van de meest persoonlijke gitaarstijlen. Omdat hij het slidegitaar spelen, zoals bv. van zijn neef Bukka White, nooit onder te knie heeft gekregen ontwikkelde hij zelf een manier om de tonen langer te laten klinken door met zijn linkerhand de snaren te buigen en laten vibreren. En deze techniek wordt sindsdien door duizenden gitaristen toegepast en behoort nu bij het standaard gitaarspel.
 
Inmiddels is hij in 1958 getrouwd met zijn tweede vrouw Sue Carol Hall. In 1960 heeft hij met “Sweet Sixteen” weer een millionseller gevolgd door “Got A Right To Love My Baby” en “Partin' Time” die daar maar nauwelijks onder konden blijven. Het is inmiddels duidelijk geworden dat Kent Records te klein is voor een ster als B.B. King. Hij ziet ook niet graag dat zijn lp's uit gaan komen op het Crown-label (ook van de gebroeders Bihari) en direct in de 99-cent-bakken van de supermarkten verdwijnen. Het volgt het voorbeeld van Lloyd Price en Ray Charles en stapt in 1962 over naar ABC-Paramount. Hij haalt zijn vliegbrevet in 1963 en vliegt zelf regelmatig naar optredens. Jaren later vliegt hij na advies van zijn manager en de verzekeringsmaatschappij alleen als er een tweede piloot mee gaat. Pas in 1995, op zeventigjarige leeftijd, stopt hij met zelf vliegen.
In 1964 neemt hij in Chicago het album “Live At The Regal”. Door het enthousiasme van band en publiek geldt dit nog steeds als een van de beste live-albums ooit. Hetzelfde jaar heeft hij een kleine hit met “How Blue Can You Get”, wat nu een van zijn meestgespeelde songs is. In 1966 volgt de scheiding van zijn tweede vrouw. Als grootste reden voor het mislukken van beide huwelijken wordt aangegeven dat de grote druk van het constant op tournee zijn te zwaar is. Er wordt later beweerd dat King bij deze en andere vrouwen in totaal 15 kinderen heeft verwekt. Het jaar van zijn scheiding volgen successen met “Don't Answer The Door” en “Paying The Cost To Be The Boss”, waarmee hij de top 10 weer haalt. “Why I Sing The Blues” uit 1969 haalt dit notering net niet.
In 1968 speelt hij op het Newport Folk Festival en in Bill Graham's Fillmore West en deelt daar de shows met de grootste namen uit de rockmuziek. Deze zien hem als hun idool en met deze optredens wordt hij geïntroduceerd bij een jong blank publiek. De grote doorbraak van R&B naar de poplijsten komt in 1969 met de door strijkers doordrenkte bewerking van het Roy Hawkins-nummer “The Thrill Is Gone”. Ook het poppubliek kan nu niet meer om B.B. King heen. Het nummer staat zowel in de R&B-lijsten als in de poplijsten in de hoogste regionen. Hetzelfde jaar wordt hij door de Rolling Stones uitgenodigd hun voorprogramma te verzorgen.
 
wordt vervolgd in deel twee (klik hier)
 
  
Lees meer...   (2 reacties)
 
lees ook B.B. King, deel 1 (klik hier)
 
King is een van de weinige bluesartiesten die ook in de zeventiger jaren hits blijft scoren, maar hij is dan ook niet bang om te experimenteren. In 1973 reist hij naar Philadelphia om “To Know You Is To Love You” en “I Like To Live The Love” op te nemen met dezelfde ritmesectie, die op de hits van de Spinners en de O’Jays te horen zijn. In 1976 neemt hij samen met zijn oude maatje Bobby Bland enkele prachtige duetten op en in 1976 neemt hij samen met de Crusaders de funky “Never Make Your Move To Soon” en “When It All Comes Down” op. Niet alle experimenten eindigen met succes. Het album “Love Me Tender” met typisch countrygeluid flopt. B.B. is in 1979 de eerste bluesman die de USSR bezoekt op een van zijn tournees.
Hoewel hij actief blijft op de podia (hij treedt in die jaren gemiddeld 300 keer per jaar op) worden zijn studio-activiteiten wat minder. Hij wordt in 1984 opgenomen in de Blues Foundation Hall of Fame en in 1987 in de Rock and Roll Hall of Fame. Datzelfde jaar ontvangt hij de NARAS' Lifetime Achievement Award. Ook een aantal eredoctoraten van diverse universiteiten vallen hem ten deel. Met U2 heeft hij een grote hit in 1988 met “When Love Comes To Town”, wat hem in contact brengt met een jongere generatie muziekfans.
In 1991 opent hij zijn B.B. King's Blues Club op Beale Street in Memphis en in 1994 wordt een tweede club geopend aan de University City Walk in Los Angeles, gevolgd door clubs in New York (2000), Connecticut (2002) en Nashville (2003).
In 1993 is hij weer helemaal terug met “Blues Summit” met daarop duetten met o.m. John Lee Hooker, Etta James, Lowell Fulson en Koko Taylor. Andere mooie producten uit die jaren zijn “Let The Good Times Roll: The Music Of Louis Jordan” uit 1999 en in 2000 “Riding With The King”, dat hij samen met Eric Clapton opneemt. Hij is ook te zien in de film 'Blues Brothers 2000', waar hij een autodealer speelt en later de leider is van de Louisiana Gator Boys.
Naast muziek houdt B.B. King zich ook bezig met Goede Doelen. Hij treedt regelmatig op tijdens benefietconcerten, ondersteunt sinds 1991 Little Kids Rock, dat gratis muzieklessen en instrumenten geeft aan minderbedeelde kinderen, en is boegbeeld in de strijd tegen diabetes. Hij lijdt zelf al sinds twintig jaar aan Diabetes 2.
In 2005 viert hij zijn tachtigste verjaardag met het album “80” met daarop gastrollen van Gloria Estefan, John Mayer en Van Morrison. Zijn veertiende Grammy wint hij in 2006 en datzelfde jaar valt ook de Presidential Medal of Freedom hem ten deel. In 2008 komt “B.B. King: Live” uit en in hetzelfde jaar keert hij terug naar de echte blues met “One Kind Favor”.
Hetzelfde jaar opent het B.B. King Museum and Delta Interpretive Center zijn deuren in Kings vroegere woonplaats Indianola. Het museum is gewijd aan de muziek van King, de muziek die hem beïnvloedde en de geschiedenis van de Mississippi Delta. Inmiddels heeft hij clubs geopend in Orlando (2007) en West Palm Beach en Las Vegas (beide in 2009).
En hoewel hij in 2006 zijn Europese afscheidstournee houdt keert hij de volgende jaren steeds gewoon weer terug. Toen men ernaar vroeg zei hij lachend dat hij nooit had beweerd dat zijn afscheidstournee zijn laatste geweest zou zijn.
Hoewel hij inmiddels 86 jaar oud is reist hij nog steeds de wereld over om op te treden, zoals onlangs weer op het North Sea Jazz Festival. Hij wordt nu met een rolstoel het podium opgereden en zijn optredens hebben niet meer de glans die zij eens hadden. Het is allemaal wat vlakker en korter dan voorheen; men komt naar zijn optredens vanwege zijn reputatie en niet minder om wat nieuws te verwachten. Maar ik vind dat je hem zijn moet laten gaan. Hij kan gewoon niet anders. Als je hem dit zou ontnemen dan zou hij alleen nog maar wegkwijnen.
Maar soms, tijdens zijn optredens slaat de vonk weer over. Door een beweging, een blik in zijn ogen, hij pakt de juiste toon en…. aaah B.B. King is en blijft de King of the Blues. 
Lees meer...   (4 reacties)
De “Keizerin van de Blues” wordt ze genoemd en dat is een titel die deze eerste grote jazz- en blueszangeres met verve heeft verdiend. De stem van Bessie Smith komt, ondanks de primitieve opnamekwaliteit van vroeger, nog steeds krachtig over en spreekt een ieder nog steeds aan. De kracht in haar stem schijnt representatief te zijn voor haar persoonlijkheid: ze was grof, vulgair en gewelddadig.
Elizabeth Smith wordt op 15 april 1894 geboren in Chattanooga, Tennessee. Sommige bronnen geven als geboortedatum juli 1892 aan, maar in de regel wordt het eerstgenoemde aangehouden. Zij is de dochter van Williams en Laura Smith. Haar vader was werkkracht en part-time predikant en hij stierf voordat zij hem kon herinneren. Haar moeder komt te overlijden als Bessie negen jaar oud is. Bessie's oudere zus neemt de zorg van de overgebleven kinderen op zich.
Om extra geld te verdienen voor het arme huishouden begint zij samen met haar broer Andrew met zingen en dansen op de straten van Chattanooga. In 1904 vertrekt haar oudste broer Clarence met een rondreizende zanggroep van Moses Stokes. Als hij in 1912 terugkeert naar Chattanooga laat hij Bessie auditie doen zijn managers Lonnie en Cora Fisher. Zij wordt aangenomen, in eerste instantie als danser, en werkt dan in dezelfde show als Ma Rainey, die de jonge zangeres onder haar hoede neemt. En hoewel Rainey zelf een zekere status bereikt wordt zij al snel voorbijgestreefd door haar protegé. Bessie blijft tot 1915 bij Rainey en voegt zich bij het T.O.B.A. (Theatre Owners Bookers Association) vaudeville circuit, waarmee zij haar eigen fanschare in het zuiden en oosten van de VS opbouwt.
In 1920 heeft Smith haar eigen show in Atlantic City en in 1923 verhuist zij naar New York. Zij tekent al snel bij Columbia Records en haar eerst plaat, “Downhearted Blues” van Alberta Hunter met “Gulf Coast Blues” als b-kant, maakt haar een beroemdheid. Op deze opname wordt zij begeleid door pianist Clarence Williams en hiervan worden zo'n 750.000 exemplaren verkocht.
In die tijd ontmoet zij Jack Gee, op wie zij verliefd wordt en waarmee zij op 7 juni 1923 trouwt. Het is echter een stormachtig huwelijk, waarbij beide partners ontrouw zijn. Gee was wel gecharmeerd van het geld dat Bessie verdiende, maar hij kon niet wennen aan de showbusiness en zeker niet aan het feit dat Smith bi-sexueel was.
Bessie Smith werkt in de komende jaren veel en neemt regelmatig platen op. Zij gebruikt topmusici als Louis Armstrong, Joe Smith, James P. Johnson en Charlie Green als begeleiders. Haar versie van “St. Louis Blues” met Louis Armstrong wordt nog steeds als een van de beste opnamen van de twintiger jaren beschouwd. In totaal maakt zij zo'n 160 opnamen voor Columbia, die haar eerst “Queen of the Blues” noemt, maar uit marketingoverwegingen al snel omdoopt naar “Empress of the Blues”.
Haar zomertentshow “Harlem Frolics” wordt een groot succes in de jaren 1925-1927 en met de opvolger “Mississippi Days” zet zij dit in 1928 voort.
                     
In 1929 raakt de blues die zij zingt uit de mode en, hoewel zij op 35-jarige leeftijd in de kracht van haar leven is, zakte haar carrière volledig in. Zij kan de relatie die haar man heeft met zangeres Gertrude Saunders niet verkroppen en verlaat hem, hoewel zij nooit van hem is gescheiden. Smith verschijnt in de korte speelfilm “St. Louis Blues”, de enige filmbeelden die van haar te zien zijn. In deze film, gebaseerd op W.C. Handy's compositie, wordt zij begeleid door de band van Fletcher Henderson, het Hal Johnson Choir, pianist James P. Johnson en een strijkersensemble.
Er volgt nog een kleine hit met “Nobody Knows You When You're Down And Out” en in 1931 wordt zij door Columbia ontslagen. Haar laatste opnamen worden in 1933 onder leiding van John Hammond voor Okeh Records gemaakt, maar Bessie Smith blijft doorgaan met optreden. Zij speelt in het befaamde Apollo Theatre in 1935 en valt in voor Billie Holiday in de show “Stars Over Broadway”. Er was sprake van een come-back, dat zou beginnen met een optreden tijdens het legendarische “Spirituals To Swing Concert” van John Hammond.
 
Maar dat zou allemaal niet meer gebeuren. Zij raakt op 26 september 1937 betrokken bij een auto-ongeluk op de Route 61 tussen Memphis en Clarksdale. De oude Packard, die wordt bestuurd door haar minnaar Richard Morgan raakt in botsing met een langzaamrijdende vrachtwagen en slaat over de kop. Smiths rechterarm en ribben raken bekneld. In het ziekenhuis wordt haar arm geamputeerd, maar door het grote bloedverlies raakt zij niet meer uit de narcose en zij overlijdt nog dezelfde ochtend. Bessie Smith is maar 43 jaar oud geworden.
John Hammond veroorzaakt een rel en hiermee een jarenlang bestaand gerucht door in november van dat jaar in Downbeat Magazine te schrijven dat Bessie is doodgebloed omdat ze naar een blank ziekenhuis is gebracht en daar is geweigerd. Deze onwaarheid wordt ook tegenwoordig nog steeds verteld. In 1959 vormde dit verhaal zelfs de basis voor de door Edward Albee geschreven eenakter “The Death Of Bessie Smith”.
 
Bessie Smith is begraven in Philadelphia. Haar lichaam wordt eerst opgebaard in Upshur's Funeral Home en is verplaatst naar O.V. Catto Elks Lodge toen haar dood bekend werd en zij werd bezocht door ongeveer 10.000 rouwenden. Een dag later, op maandag 4 oktober 1937, wordt zij begraven op het Mount Lawn Cemetery in het nabijgelegen Sharon Hill.
Jack Gee verzet zich jarenlang tegen de plaatsing van een grafsteen op haar graf en dit blijft lange tijd ongemarkeerd totdat Janis Joplin en Juanita Green, die als kind als huishoudelijk hulp bij Bessie had gewerkt, er op 7 augustus 1970 een steen met inscriptie op laten plaatsen.
Columbia heeft al haar opnamen heruitgebracht, eerst op 5 dubbel-lp's en vervolgens op 5 dubbel-cd's. Het laatste aangevuld met alternate takes, de soundtrack van “St. Louis Blues” en een interview met haar nicht Ruby Smith.
 
Lees meer...   (1 reactie)
Voor wat betreft de lengte van zijn carrière, zijn omvangrijke repertoire en de lengte en diversiteit van zijn carrière is het niet meer dan terecht om Bill Broonzy “Big” te noemen. Hij is dan ook één van de belangrijkste figuren uit de blues. Onder zijn honderden songs zaten klassiekers als “All By Myself” en “Key To Highway”. Bovendien was hij een sleutelfiguur in de ontwikkeling van de Chicagoblues en zijn toernees buiten de VS maakten van hem een van de ambassadeurs van de blues.
William Lee Conley Broonzy werd letterlijk aan de oevers van de Mississippi geboren, te weten in Lake Dick, Arkansas. Zoals met veel van zijn tijdgenoten is het niet helemaal duidelijk wanneer hij werd geboren. Hij zei zelf dat het 1893 is geweest, maar op het na zijn dood door twee van zijn zussen aangeboden geboortecertificaat stond 26 juni 1898; een datum die nu wordt aangehouden. Hij was een van de 17 kinderen van Frank Broonzy en Mittie Belcher en leerde van zijn oom Jerry Belcher een van een sigarenkistje zelfgemaakte viool spelen, waarmee hij al op tienjarige leeftijd tijdens bijeenkomsten en in de kerk speelde.
In 1915 trouwde Broonzy en werkte hij als sharecropper op een gepacht stukje land. Het daaropvolgende jaar mislukte de oogst door droogte en nam hij allerlei baantjes aan om aan de kost te komen. Na zelf vanaf de kansel te hebben gepreekt werd hij in 1917 opgeroepen voor het leger. Hij bracht tijdens de Eerste Wereldoorlog twee jaar door in Europa. Na zijn ontslag uit het leger vestigde hij zich in Pine Bluff, Arkansas en later in Little Rock.
 
In 1920 verhuisde hij naar Chicago, waar hij zijn aandacht van viool verlegde naar de gitaar. Hij speelde onder meer met Papa Charlie Jackson. In Chicago had hij allerlei baantjes voordat hij in 1927 zijn platencarrière bij Paramount begon. Zijn eerste opnamen verkochten erg slecht, maar toch behield Paramount hem als artiest. Pas in de vroege dertiger jaren nam hij een paar schitterende nummers op en speelde hij in en rond Chicago met muzikanten als pianist Black Bob en de gitaristen Will Weldon en Memphis Minnie.
Tijdens de depressie bleef Broonzy aan het werk en was een actief “label-hopper”. Hij nam bv. op voor Paramount, Bluebird, Columbia en Okeh. Naast solowerk begeleidde hij vaak ook muzikanten als Bumble Bee Slim, John Lee 'Sonny Boy' Williamson en anderen tijdens hun opnamen.
In 1938 trad Broonzy op tijdens het befaamde Spirituals to Swing Concert in New York. Hij kwam in plaats van de eerder dat jaar gestorven Robert Johnson. Ook in de editie van 1939 werd hij gevraagd. Datzelfde jaar verscheen hij met Benny Goodman en Louis Armstrong in de film “Swingin' The Dream”. In het begin van de veertiger jaren maakte hij deel uit van Lil Green's roadshow, waarmee hij vaak in het zuiden optrad, en werkte hij in Chicago samen met Memphis Slim.
                   
Broonzy's stijl had zich inmiddels ontwikkeld tot stadsblues, maar hij schuwde het niet zijn publiek te vermaken met de ouderwetse countryblues. Zijn werk breidde zich steeds meer uit en na de oorlog werkte hij afwisselend in Chicago en New York en tot 1951 trad hij over de hele Verenigde Staten op. Zijn bekendheid reikte zelfs overzees en Big Bill Broonzy was voor toernees en opnamen regelmatig in Europa, Afrika, Zuid-Amerika en de landen rond de Grote Oceaan te vinden. Pas in 1953 verdiende hij genoeg om alleen van zijn muziek te kunnen leven.
Tijdens een verblijf in Nederland werd hij verliefd op een Nederlands meisje met wie hij samen een zoon, Michael, kreeg.
In 1955 verscheen zijn levensverhaal Big Bill Blues, door hem verteld aan de Belgische journalist Yannick Bruynoghe. Na een laatste tournee door Engeland, in 1957, begon zijn levenstijl hem op te breken. Hij laatste jaar van zijn leven bracht Big Bill Broonzy regelmatig door in ziekenhuizen en hij overleed op 15 augustus 1958 aan de gevolgen van keelkanker.
 
Maar door zijn muziek leeft hij echter voort. Hij was grote voorbeeld van mensen als Muddy Waters en was ook een van de eersten, die de blues naar Europa en de rest van de wereld brachten.
Zelf werd hij beïnvloed door folk, spirituals, worksongs en ontwikkelde hieruit de Chicagoblues, die later door Muddy Waters, Howlin' Wolf en anderen doorevolueerde. Hij speelde al rond 1942 elektrisch gitaar, maar omdat het jonge blanke publiek graag countryblues hoorde nam hij de akoestische gitaar weer ter hand. Met een oeuvre van zo'n 350 opgenomen nummers en de enorme invloed die Big Bill Broonzy op de jongere generaties heeft gehad mag hij met recht een bluesgigant worden genoemd. 
 
Lees meer...   (1 reactie)
In de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw ontstond het fenomeen 'bluesshouters'; zangers die zelfs zonder microfoon in staat waren om het geweld van het begeleidende orkest te overstemmen met hun volume. Big Joe Turner is wel de meest bekende exponent van deze zangstijl. Zijn grote bekendheid dankt hij aan het feit dat hij zich staande wist te houden in de tijd van de boogie woogie, jumpblues en zelfs de eerste golven van de rock 'n roll. Turner, wiens imposante statuur (ruim 187 cm en een dikke 140 kg) goed paste bij het immense geluid dat hij produceerde kwam voort uit de jazzscene van Kansas City. Songwriter Doc Pomus gaat zelfs zover door te stellen dat rock 'n roll nooit zou zijn ontstaan zonder hem.
Joseph Vernon Turner Jr. komt op 18 mei 1911 ter wereld in Kansas City, Missouri. Zijn liefde voor muziek ontdekt hij, zoals velen met hem, in de kerk. Zijn vader komt om het leven door een treinongeluk toen Joe nog maar vier jaar oud was. Als kind zingt hij al voor geld op straathoeken en hij verlaat school als veertienjarige om in de nachtclubs van Kansas City te werken.. Eerst als kok, later als zingende barkeeper. Hij wordt uiteindelijk bekend als The Singing Barman en werkt in gelegenheden als de Kingfish Club en The Sunset, waar hij samen met pianist Pete Johnson tot de vaste behoort.
Het partnerschap met Pete Johnson, dat dertien gaat duren, blijk zeer vruchtbaar Samen vertrekken zij in 1936 naar New York, waar zij o.a. met Benny Goodman optreden. Na deze optredens doen zij op verschillende plaatsen in New York auditie, maar, zoals Turner zelf zegt, “was NY nog niet klaar voor ons” en gaan zij weer terug naar Kansas City. Uiteindelijk worden zij in 1938 ontdekt door platenproducer en talentscout John Hammond, die hen uitnodigt deel te nemen aan een van zijn “From Spirituals To Swing”-concerten in Carnegie Hall, waarmee uiteindelijk jazz en blues aan een groter publiek wordt geïntroduceerd. Op deze concerten treden ook Big Bill Broonzy, Sonny Terry, The Golden Gate Quartet en Count Basie op. Turner en Johnson spelen "Low Down Dog" en "It's All Right, Baby" op deze historische show, waarmee zij de boogiewoogie-gekte aanslingeren.
In 1939 krijgen Pete en Joe samen met boogiewoogie-pianisten Albert Ammons en Meade Lux Lewis een vaste aanstelling bij Café Society, waar zij samenspelen met Billy Holiday en de band van Frank Newton. De eerste opnamen, zoals “Roll 'Em, Pete”, Cherry Red”, “I Want A Little Girl” en “Wee Baby Blues”verschijnen. Op “Cherry Red” worden Joe en Pete begeleid door trompettist Hot Lips Page en een volledige band. Een jaar later wisselt Turner van Vocalion naar Decca. Hij neemt “Piney Brown Blues” op met Pete Johnson aan de piano. Niet alle opnamen voor Decca zijn met begeleiding van Pete. Op “Careless Love” wordt hij begeleid door Willie 'The Lion' Smith en op “Rock In My Bed” uit 1941 neemt Freddie Slack's Trio dit waar.
                    
Dat jaar reist hij naar Los Angeles waar hij optreedt in de revue van Duke Ellington. Hij verschijnt als zingende politie-agent in een muzikale comedy-sketch genaamd “He's On The Beat” en in 1944 werkt hij voor de muziekfilms van zijn oude collega Meade Lux Lewis. Hoewel hij wel de soundtrack inzingt is hij niet aanwezig bij de filmopnamen. De komiek Dudley Dickerson playbackt op Turners stem.
In 1945 openen Big Joe Turner en Pete Johnson in Los Angeles een eigen nachtclub, genaamd The Blue Moon Club. Hetzelfde jaar tekent hij bij National Records waar hij tot 1947 blijft. “My Gal's A Jockey” wordt zijn eerste R&B-hit. Hij brengt regelmatig platen uit, waaronder het gewaagde “Around The Clock” en “Battle Of The Blues” met Wynonie Harris bereiken het, op “Still In The Dark” na, geen van allen grote verkoopcijfers.
Tijdens een optreden met het Count Basie Orchestra in het Apollo Theater in Harlem wordt hij gezien door Ahmet en Nasuhi Ertegun, die hem onder contract stellen bij hun platenlabel Atlantic Records. Bij hen scoort hij in de loop van de jaren vele hits, waaronder “Chains Of Love” en “Sweet Sixteen”. De laatste wordt meestal geassocieerd met B.B. King, maar Turner was toch echt de eerste. Turner maakt veel opnamen in verschillende bezettingen. Zo reist hij eind 1953 naar Chicago en neemt daar het rauwe “TV Mama” op met slidegitarist Elmore James en een kleine bluesband.
Zijn platen schieten naar de top van de hitlijsten. En zijn grote hit “Shake Rattle And Roll” uit 1954 zorgt er voor dat hij een tieneridool wordt en en passant ook de populaire muziek verandert. Hoewel de cover door Bill Haley and the Comets een grotere hit is, waarbij de gewaagde tekst was vervangen, weten veel luisteraars het origineel te vinden. Elvis Presley heeft er niet zo'n moeite mee en brengt Turners versie ongewijzigd uit. Het wordt echter niet zo'n succes als het origineel. Plotseling, als 43-jarige is Big Joe Turner een rockster geworden. De opvolgers "Well All Right," "Flip Flop and Fly," "Hide and Seek," "Morning, Noon and Night" en "The Chicken and the Hawk" krijgen allemaal hetzelfde vrolijke sfeertje mee. Turner verschijnt in het tv-programma “Showtime At The Apollo” en in de film “Shake Rattle & Roll”. In 1956 krijgt hij nog een gigantische hit met “Corrine, Corrina”. Daarnaast brengt hij het bluesalbum “Boss Of The Blues” uit. Op 26 mei 1958 komt “(I'm Gonna) Jump For Joy”, zijn twintigste en laatste R&B-hit de hitlijsten binnen.
 
Big Joe Turner keert terug naar zijn 'roots' en wordt zanger bij kleine jazzcombo's. In deze stijl neemt hij in de zestiger en zeventiger jaren talloze minder succesvolle albums op. Bill Haley helpt hem in 1966 door zijn begeleidingsband The Comets voor een aantal opnamen in Mexico ter beschikking te stellen. Hij treedt wereldwijd op diverse jazz- en bluesfestivals op, werkt met Jimmy Witherspoon en de Duitse boogiepianist Axel Zwingenberger. En doet hij met Wynonie Harris en T-Bone Walker mee met zgn. “Battles Of The Blues”. In 1977 brengt Turner de oude Guitar Slim-hit “Things I Used To Do”, wat een klein hitje wordt.
In de loop van de jaren heeft Turner vele prijzen in de wacht gesleept. Al in 1945 door Esquire Magazine als 'best male vocalist', in 1956 door Melody Maker als 'best new vocalist' en het Britse Jazz Journal prees hem in 1965 als 'top male singer'. In 1983 werd hij opgenomen in de Blues Hall of Fame. Datzelfde jaar verschijnt zijn laatste album, “Blues Train”, dat is opgenomen met de begeleiding van Roomful Of Blues.
Op 24 november 1985 komt de dan 74-jarige Big Joe Turner te overlijden aan de gevolgen van een hartaanval. Hij had al eerder een hersenbloeding gehad en leed aan reuma en diabetes. In 1987 wordt hij postuum opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame.
 
Lees meer...   (3 reacties)
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl