barnowlblues.punt.nl
by Eric Campfens
Big Walter Horton, ook bekend als 'Shakey' Horton, kan worden beschouwd als een van de meest invloedrijke harmonicaspelers aller tijden en een pionier op het gebied van de elektrisch versterkte harmonica. Hij is minder bekend als zijn collega's Little Walter en de tweede Sonny Boy Williamson. Maar dat lag aan het feit dat hij een stille en verlegen persoon was, die weinig zin had in het leiden van een eigen band. Maar hij had een zeer eigen stijl, waarbij hij zijn versterkte harmonica liet klinken als een hoorn, zoals te horen is op opnamen die hij maakte met Muddy Waters, Jimmy Rogers, Otis Rush, Johnny Shines en Tampa Red om er maar een paar te noemen.
Big Walter Horton, ook bekend als 'Shakey' Horton, kan worden beschouwd als een van de meest invloedrijke harmonicaspelers aller tijden en een pionier op het gebied van de elektrisch versterkte harmonica. Hij is minder bekend als zijn collega's Little Walter en de tweede Sonny Boy Williamson. Maar dat lag aan het feit dat hij een stille en verlegen persoon was, die weinig zin had in het leiden van een eigen band. Maar hij had een zeer eigen stijl, waarbij hij zijn versterkte harmonica liet klinken als een hoorn, zoals te horen is op opnamen die hij maakte met Muddy Waters, Jimmy Rogers, Otis Rush, Johnny Shines en Tampa Red om er maar een paar te noemen.
 
Walter werd geboren op 16 april 1918 in Horn Lake, MS niet ver van Memphis. Kort nadat hij met zijn moeder naar Memphis was verhuisd, kreeg hij toen hij vijf jaar oud was van zijn vader een mondharmonica, waarop hij zichzelf leerde spelen. Niet lang daarna verhuisde hij met zijn moeder naar Memphis, waar hij voor geld speelde in het bekende Handy Park, vlakbij het niet minder bekende Beale Street. Nog voor hij tien jaar oud was speelde hij in de twintiger jaren met de Memphis Jug Band, waarmee hij toen al waarschijnlijk – onder de naam Shakey Walter – ook een aantal opnamen heeft gemaakt. Rond deze tijd leerde hij zijn harmonicaspel verder ontwikkelen door Will Shade, van de Memphis Jug Band, en Hammie Nixon. Enkele blueshistorici beweren ook dat hij te horen is op “Kansas City Blues” van de Memphis Jug Band. Tijdens de depressie speelde Horton overal waar hij maar kon, op danspartijen, feestjes, in jukejoints en op straathoeken en hij werkte met o.m. Robert Johnson, Johnny Shines, Homesick James en David 'Honeyboy' Edwards. Daarnaast speelde hij ook in de begeleidingsbands van Ma Rainey, Floyd Jones en Big Joe Williams.
Hij verbleef in 1938 al enige tijd in Chicago. In 1939 begeleidde Horton de gitarist Charlie 'Little Buddy' Doyle op enkele opnamesessies voor Columbia Records. Rond deze tijd begon hij naar eigen zeggen al te experimenteren met het elektrisch versterken van zijn harmonica. Hij zou dan de eerste zijn geweest.
Vanwege zijn slechte gezondheid was hij in 1940 gestopt met de muziek. In die tijd had hij allerlei baantjes om het hoofd boven water te houden, zoals taxichauffeur, kok in het Peabody Hotel en grafdelver. Pas in 1948 pakte hij de muzikale draad weer op en speelde hij regelmatig met de jonge B.B. King en was hij vaak te horen op het radiostation WDIA. Een jaar later voegde hij zich bij Eddie Taylor en in 1951 maakte hij voor Sam Phillips onder het pseudoniem Mumbles enkele opnamen, die door Modern/RPM werden uitgebracht. Het volgende jaar werden wat opnamen gemaakt met zijn oude vriend Johnny Shines en werd hij door Eddie Taylor uitgenodigd zich permanent in Chicago te vestigen en in de band van Jimmy Reed te komen spelen.
              
Begin 1953, kort nadat hij in Chicago was aangekomen, nodigde Muddy Waters hem uit mee te werken aan opnamen en mee te gaan op tournee, omdat diens vaste mondharmonicaman Junior Wells opgeroepen was voor militaire dienstplicht. Hij werkte mee aan de opnamen van “Flood”, “My Life Is Ruined”, “She's Alright” en “Sad Sad Day”. Maar aan het eind van het jaar werd hij alweer ontslagen, hetzij door zijn excessieve drinkgewoontes of vanwege het feit dat hij er verschillende 'bijbaantjes' op nahield. Daarover doen verschillende verhalen de ronde.
 
Inmiddels had Horton een naam opgebouwd als sessiemuzikant bij Chess Records. In 1953 was hij nog even teruggekeerd naar Memphis om samen met gitarist Jimmy DeBerry wat opnamen te maken voor het Sun-label. Hun single “Easy” werd één van de meest toonaangevende mondharmonicaplaten aller tijden en is hét herkenningsnummer van Walter Horton geworden. Teruggekeerd in Chicago werkte hij verder voor Chess en begeleidde weer Muddy Waters, maar nam onder leiding van Willie Dixon ook zijn eigen singles op. Naast Chess werkte hij ook voor labels als Cobra, States en Jewel en is hij te horen op bluesklassiekers als “Walking By Myself” van Jimmy Rogers, “I Can't Quit You baby” van Otis Rush en “Evening Sun” van Johnny Shines.
In 1964 verscheen Hortons eerste lp, “The Soul Of Blues Harmonica”, voor de Chess-dochter Argo. De plaats was geproduceerd door Willie Dixon en Horton werd o.m. begeleid door Buddy Guy. Helaas kwam hier nog niet helemaal tot uiting tot wat Horton in staat was. Twee jaar later droeg hij een aantal nummers bij aan de verzamelaar “Chicago/The Blues/Today! Vol. 3”, waarmee hij pas echt, en vooral bij het blanke publiek, zijn naam wist te vestigen. Op deze nummers deed zijn beschermeling Charlie Musselwhite mee.
Naast eigen opnamen werkte hij in zestiger jaren nog vaak mee in de band van Jimmy Rogers en trad hij zowel op het podium als in de studio op met Johnny Shines, J.B. Hutto, Johnny Young, Big Mama Thornton, Koko Taylor, Robert Nighthawk, Sunnyland Slim en is hij ook te horen op het legendarische in Chicago opgenomen album van Fleetwood Mac. Aan het eind van de zestiger jaren had hij wat meer harmonicaspeler onder zijn hoede genomen, waaronder Peter “Madcat” Ruth en Carey Bell. Met de laatste nam hij in 1973 voor Alligator de prachtige lp “Big Walter Horton with Carey Bell” op. Ook maakte hij regelmatig deel uit van Willie Dixon's Blues All Stars, waarmee hij door Amerika en Europa toerde.
 
Na zijn lp met Carey Bell werd hij een vaste gast in het festivalcircuit en was hij vaak te vinden op Maxwell Street in Chicago, waar hij met andere bluesartiesten speelde. In 1977 voegde hij zich bij Muddy Waters toen deze met Johnny Winter het album “I'm Ready” opnam. Horton is op zes nummers te horen. Deze lp bracht hem ook weer samen met zijn oude vriend Jimmy Rogers.
In deze periode maakte hij diverse opnamen voor Blind Pig, die later verschenen op de lp's “Fine Cuts” en “Can't Keep Lovin' You”. Ook maakte hij met Ronnie Earl nog de lp “Little Boy Blue”, die in 1980 verscheen. Hij is nog kort te zien in de film “Blues Brothers”, waar hij John Lee Hooker begeleidde op Maxwell Street.
 
Big Walter Horton overleed op 8 december 1981 aan de gevolgen van een hartaanval. Een jaar later werd hij opgenomen in de Blues Hall of Fame.
Ondanks zijn reputatie onder collega's werd Horton eigenlijk nooit de platenster die hij verdiende te zijn. Reden hiervoor is dat hij niet in staat was om zelf een band te leiden en door zijn verlegenheid was hij gelukkiger als begeleider. Dit, samen met een alcoholprobleem, zorgden ervoor dat hij een chronisch geldgebrek had en bij iedereen meespeelde als hij werd gevraagd.
 
Lees meer...   (1 reactie)
Billie Holiday was geen geschoolde zangeres, maar zij nam artiesten als Bessie Smith en Louis Armstrong als voorbeeld in de benadering van de muziek. Zij was in staat om zowel slechte als goede songs goed te laten klinken. De manier waarop zij frasering en intonatie gebruikte en zwaartepunten in de tekst kon leggen was uniek. Ook de manier van zingen, waarmee zij schijnbaar haar stem achter het ritme aan liet slepen, waardoor een heel aparte dynamiek ontstond, gaf haar een unieke plaats in de blues- en jazzwereld.
Haar vroege jaren zijn vrij verwarrend. Recent gedaan onderzoek heeft aangetoond dat Billie in 1915 in Philadelphia is geboren. Zij stond bekend onder
verschillende namen, waaronder Eleanora Fagan, maar sinds haar vroege jeugd wordt zij Billie genoemd. De naam Holiday kwam van haar meestal afwezige vader, de jazzgitarist Clarence Holiday. In 1930 moest zij vanwege prostitutie de gevangenis in. Kort daarna begon zij haar zangcarrière in de clubs in Brooklyn en Harlem.
Producent John Hammond hoorde haar zingen en regelde haar eerste opnamen, met de band van Benny Goodman in 1933. In 1934 maakte zij haar professionele debuut in het Apollo Theatre.
Van 1935 tot 1942 volgde een serie opnamen waarmee zij naam maakte. Hier werkte ze samen met o.m. de trompettisten Buck Clayton en Roy Eldridge en de saxofonist Lester Young, die haar de bijnaam “Lady Day” gaf. Met Young werkte zij hij best samen en er was twijfelloos een bijzondere chemie als zij samen speelden.
 
Haar roem strekte in eerste instantie niet verder dan de zwarte bevolking, maar door optredens met Count Basie in 1937 en Artie Shaw in 1938 zorgden ervoor dat zij ook bij het blanke publiek opviel. Door optredens in het gemengde Cafe Society in 1939 en haar opname van “Strange Fruit”, een song over lynching in de zuidelijke staten, verleende haar status bij de intellectuelen en linksdenkenden.
Halverwege de veertiger jaren brachten ballads als “God Bless The Child”, “I Cover The Waterfront” en “Gloomy Sunday” haar faam bij het grote publiek. In 1946 bracht haar dat zelfs een filmrolletje naast Louis Armstrong in de film “New Orleans”.
Door haar drugsverslaving zat zij in 1947 een flinke tijd in de gevangenis. Ook met mannen had zij geen geluk, zowel emotioneel als financieel. Omdat har 'Cabaret Card' was ingetrokken was het onmogelijk om in de clubs in New York op te treden en hierdoor ging het met haar carrière ook bergaf. Door het harde leven en jarenlange drugsmisbruik was het in de vijftiger jaren slecht gesteld met haar gezondheid. Ook haar stem was hierdoor achteruit gegaan. Toch was ze in staat om nog enkele memorabele optredens te doen, zoals bv. de in 1957 voor tv opgenomen “Sound Of Jazz”, waarin ze werd begeleid door een band met jazzsterren, waaronder haar oude maatje Lester Young.
 
Veel van de latere opnamen waren haast droevig te noemen, maar toch wist zij tot het laatste moment haar luisteraars te ontroeren.
Billie Holiday stierf in 1959 in New York, nog maar 44 jaar oud. In haar in 1956 geschreven autobiografie “Lady Sings The Blues” beschrijft haar leven vanuit haar eigen gezichtspunt; de ups en downs, het lijden en de successen. Een ontroerend document.
 
Lees meer...   (3 reacties)
 Hoewel hij vaak als de eerste countrybluesman wordt beschouwd kun je Blind Lemon Jefferson eigenlijk beschouwen als de eerste mannelijk popster. In ieder geval uitgaande van de verkoopcijfers van zijn opnamen die door het Paramount label werden uitgebracht. Sommige ervan bereikten een oplage van ruim 100.000 exemplaren.
Lemon Jefferson werd geboren in Couchman, Texas. De geboortedatum is niet helemaal zeker, maar waarschijnlijk was dat in 1897. Waarschijnlijk kon hij als kind al slecht zien, maar in de loop van de jaren is hij helemaal blind geworden.
Hij leerde zichzelf gitaar spelen en halverwege zijn tienerjaren reisde hij zelfs al naar Dallas om op te treden. Daar zong hij op straathoeken en in kroegen en bordelen in de wijk Deep Ellum. Een tijdje trok hij op met Huddie Ledbetter, beter bekend als Leadbelly, totdat deze in 1918 de gevangenis in moest.
In 1925 werd hij door iemand, waarschijn pianist Sammy Price, aanbevolen aan een scout van de platenmaatschappij Paramount. Dit resulteerde over de komende jaren in de opname van zo'n 100 nummers, waarvan er in die jaren 42 werden uitgebracht. ook bracht hij in 1927 een bezoek aan de concurrent OKeh Records, waarvoor hij "Black Snake Moan" en "Match Box Blues" opnam. Later nam hij deze nummers alsnog op voor Paramount.
 
Hij werd zo beroemd dat Paramount enkele platen uitgaf met een speciaal voor hem ontworpen label, waarop de inmiddels bekende foto van hem prijkte. Wat dat betreft gedroeg Jefferson zich ook als de ster die hij was. Meestal reisde hij alleen, kleedde zich als dandy en verlangde respect en ontzag. Hoewel veel van zijn songs hem portretteerde als iemand die groot leed met zich meedroeg was hij er de tegenstelling van.
In december 1929 werd Blind Lemon Jefferson dood aangetroffen op een trottoir in Chicago. Kennelijk was hij in een sneeuwstorm de weg kwijtgeraakt, gaan dwalen en na een hartaanval doodgevroren.
De pianist Will Ezell begeleidde zijn lichaam terug naar Texas, waar hij werd begraven op het Wortham Cemetery, niet ver van zijn geboorteplaats.
Wrang detail is dat Jefferson in zijn nummer "One Kind Favor" vraagt zijn graf schoon te houden. Decennia later werd Jeffersons graf herontdekt. Verwaarloosd en overgroeid. Pas toen kreeg één van de grootste en invloedrijkste bluesartiesten een fatsoenlijke grafsteen.
 
Well, there's one kind favor I'll ask you
See that my grave is kept clean
Lees meer...   (1 reactie)
In de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw was een van de allergrootsten in de blues de uit Georgia afkomstige Blind Willie McTell. Op zijn 12-snarige gitaar nam McTell tijdens veertien sessies zo'n 120 nummers op. Hij had een zachte en uitdrukkingssterke stem en in zijn muziek vind je invloeden van de blues, ragtime, gospel, hillbilly en ook zelfs popliedjes terug. In een tijd dat de meeste bluesmuzikanten slecht opgeleid waren was hij een uitzondering. McTell kon muziek in braille lezen en schrijven. Ondanks zijn handicap reisde hij vaak alleen van Atlanta naar New York.
Willie Samuel McTell werd op 5 mei 1898 geboren in Thomson, Georgia. Van zijn vroegste jeugd is niet veel bekend en er zijn onduidelijkheden over wat er bekend is. Zelfs zijn echte achternaam is niet helemaal zeker; het kan McTear of McTier zijn. En zijn voornaam kan Willie, Samuel of Eddie zijn. Op zijn grafsteen staat de naam “Eddie McTier” vermeld. Hij was blind vanaf zijn geboorte of vanaf zijn allervroegste jeugd en hij bezocht blindenscholen in Georgia, New York en Michigan.
Na harmonica en accordeon leerde McTell als tiener gitaar spelen van zijn moeder, familieleden en buren. Zij waren toen inmiddels naar Statesboro verhuisd. Nadat zijn moeder was overleden verliet hij het huis en reisde met kermissen en medicineshows in het gebied tussen Atlanta, Augusta, Savannah en Macon. In deze regio komen twee bluesstijlen bij elkaar, nl. de zgn. Piedmont-stijl, met licht ritmewerk en invloeden van ragtime, en de blues uit het diepe zuiden, die meer nadruk legt op intense ritmes en korte, zich herhalende fraseringen. In deze tijd reisde McTell ook vaak alleen van Georgia naar New York City. Overal waar het maar kon trad hij onderweg op: in treinen, hotellobby's, schoolfeesten en in theaters en kerken. En hij volgde de tabak na de oogst en speelde voor de boeren, klanten, handelaren tot en met veilingen en hotels toe.
Halverwege de twintiger jaren was McTell al een ervaren muzikant, die in Atlanta op house party's en barbecues speelde. Hij had inmiddels naast zijn 6-snarige gitaar er ook een met twaalf snaren, waarmee hij wat meer geluid kon produceren op de straten van Atlanta en ontwikkelde daarop een fenomenale techniek, waarbij het door zijn vingertechniek leek alsof er meer dan maar een gitaar werd gespeeld.
Rond 1926 kregen de platenmaatschappijen interesse in blues en vooral die die gemaakt werd door solisten met alleen een gitaar. Bij de eerste hoorden o.m. Blind Lemon Jefferson uit Texas, Charley Patton en Tommy Johnson uit Mississippi en Peg Leg Howell en Blind Willie McTell uit Georgia. McTell maakte in 1927 acht opnamen voor Victor Records, waaronder “Statesboro Blues” (later opgenomen door de Allman Brothers Band en Taj Mahal). McTells nummers waren prachtige voorbeelden van verhaaltjes, die op muziek zijn gezet, gekoppeld aan fantastisch gitaarwerk. De bluesmuzikanten uit die tijd namen onder diverse namen voor verschillende labels op. Ook McTell was hierop geen uitzondering. Zo was hij Blind Willie (Vocalion), Georgia Bill (Okeh), Red Hot Willie Glaze (Bluebird), Blind Sammie (Columbia), Barrel House Sammy (Atlantic) en Pig 'n Whistle Red (Regal Records).
                
McTell trouwde met Ruth Kate Williams, met wie hij in 1934 enkele duetten opnam. Ook werkte hij regelmatig met plaatsgenoten Buddy Moss en Curley Weaver. Zijn platencarrière bracht hem niet het succes dat je zou verwachten. Dit komt onder meer door het feit dat zijn meeste opnamen tijdens de Depressie werden uitgebracht.
In 1940 nam verzamelaar John Lomax tijdens een lange sessie voor het Library of Congress een flink aantal songs en interviews op met McTell. Deze sessie is compleet op cd uitgebracht. De oorlog zorgde voor een grote onderbreking in plaatopnamen. Maar enkele jaren na de oorlog was er toch weer een opleving in de interesse in countryblues. Dit bracht McTell in 1949 in de studio's van het pas opgerichte Atlantic Records. Er werd slechts een single uitgebracht en bij gebrek aan succes bleef de rest van de vijftien song nog 20 jaar op de plank liggen. In 1950 nam hij met Curley Weaver nog wat nummers op voor Regal, maar ook die verkochten niet al te best.
Blind Willie McTell bleef ook na de Tweede Wereldoorlog nog actief als muzikant in Atlanta. Met gitarist Curley Weaver speelde hij nog jarenlang op Decatur Street voor fooien. In 1956 maakte hij zijn laatste opnamen voor de eigenaar van een platenwinkel, die ze op Prestige/Bluesville uitbracht. Daarna speelde hij nog uitsluitend religieuze muziek. Van 1957 tot aan zijn dood was Willie McTell voorganger in de Mount Zion Baptist Church in Atlanta.
    
Op 19 augustus 1959 overleed McTell in het Milledgeville State Hospital in Almon, Georgia aan de gevolgen van een hersenbloeding.
 
Blind Willie McTell is een van de grootste bluesartiesten ooit. Als zanger en vooral gitarist heeft hij eigenlijk uitsluitend eersteklas werk afgeleverd.
In 1981 werd Blind Willie McTell opgenomen in de Blues Foundation Hall of Fame en in 1990 in de Georgia Music Hall of Fame. Ieder jaar wordt in zijn geboorteplaats Thomson het Blind Willie McTell Blues Festival georganiseerd.
Het mooiste eerbetoon gaf Bob Dylan in 1983 door zijn song “Blind Willie McTell”: And I know no one can sing the blues / Like Blind Willie McTell.
 
Lees meer...   (3 reacties)
Op dinsdag 18 oktober 2011 is de Britse bassist en schrijver Bob Brunning overleden. Bob is degene die mij zo ver heeft gekregen om artikelen over blues te gaan schrijven. Door zijn aanmoediging en tussenkomst verschenen mijn eerste stukjes in 1996/1997 in het Britse bluestijdschrift Blueprint.
Bob is geboren op 29 juni 1943 in Bournemouth, waar hij naast zijn school in diverse bandjes speelt In 1964 verhuist hij naar Londen en speelt op zijn college met Fives Company, waarmee ook nog drie singles worden opgenomen. Bob volgt dan een lerarenopleiding.
In 1967 verlaat gitarist Peter Green de Bluesbreakers van John Mayall om zijn eigen band op te richten. Het is de bedoeling van Green om dit samen met gitarist Jeremy Spencer, drummer Mick Fleetwood en bassist John McVie te doen, maar McVie ziet dit in eerste instantie niet zo zitten en Peter Green vraagt Bob of hij tijdelijk de rol als bassist op zich wil nemen. Fleetwood Mac is geboren.
Enkele weken later verander McVie van mening en sluit zich bij de band aan om samen met Mick Fleetwood de beste ritmesectie aller tijden te vormen. Brunning heeft nog wel enkele opnamen met Fleetwood Mac kunnen maken, waaronder de singles “I Believe My Time Ain't Long”, “Rambling Pony” en “Long Grey Mare”. Ook trad hij met hen op tijdens het fameuze Windsor Jazz & Blues Festival op 13 augustus 1967.
 
Na Fleetwood Mac sluit Bob zich aan bij een andere legendarische Britse bluesband, Savoy Brown. Maar omdat hij inmiddels gaat samenwonen met zijn vriendin Helen heeft hij behoefte aan een vast inkomen. Bob wordt in 1969 leraar en blijft dit beroep de volgende dertig jaar uitoefenen.
Maar zijn liefde voor de blues blijft onverminderd sterk. Met zijn oude maat uit Savoy Brown, Bob Hall, richt hij de Brunning Sunflower Blues Band op. Onder de naam Tramp, met o.m. zijn oude Fleetwood Mac-maten Mick Fleetwood en Danny Kirwan, neemt hij een aantal elpees op met Jo-Anne en Dave Kelly. Daarnaast heeft hij gespeeld en/of opnamen gemaakt met artiesten als J.B. Hutto, Johnny Mars, Eddie Burns, Jimmy Dawkins, Lightnin' Slim, Whisperin' Smith, Homesick James, Snooky Prior, Eddie Taylor, Big John Wrencher, Erwin Heffer, Dr. Ross, Errol Dixon, Jimmy Rodgers, Dave Peabody, Otis Grand, Paul Lamb, Chuck Berry, Memphis Slim, Jimmy Witherspoon, Eddie Clearwater, Georgie Fame, Charley Musselwhite en vele anderen.
In 1980 vormt hij met Danny Adler, Bob Hall en Mickey Waller de De Luxe Blues Band. Saxofonist Dick Heckstall-Smith voegt zich regelmatig bij hen. Ook met deze band worden een aantal albums opgenomen.
 
In de negentiger jaren opent Bob de BB's Blues Club, die hij in februari 1998 verhuist naar The Colour House Theatre in Merton, Zuid-London. Iedere zondagavond trad hier een bluesband of -artiest op uit Groot-Brittannië of het buitenland. Tot aan zijn pensioen combineerde Bob zijn beroep als leraar met een part-time bluescarrière.
Naast zijn werk als leraar en zijn muziek heeft Bob ook boeken geschreven. Deze behandelen over het algemeen de blues, de blues in Groot-Brittannië en Fleetwood Mac.
 
Op 18 oktober 2011 overlijdt Bob aan de gevolgen van een hartaanval in zijn huis in Zuid-Londen. Hij laat zijn tweede vrouw Halina, zijn drie kinderen en zes kleinkinderen na. Woensdag 2 november 2011 zal hij worden begraven.
 
Lees meer...   (4 reacties)
In de zestiger jaren dook opeens de zogenaamde Southern Soul op, een combinatie van gospel, blues en soul, dat zijn oorsprong, zoals de naam als zegt, vond in de zuidelijke staten van de VS. Legendarische is wat dat betreft de muziek die werd gemaakt in de Muscle Shoals Studios uit het gelijknamige plaatsje in Alabama en bij Stax in Memphis. Maar net als andere muziekgenres kwam ook deze niet zomaar uit de lucht vallen een van de mensen die we hiervoor eigenlijk verantwoordelijk kunnen houden of, beter gezegd, dankbaar kunnen zijn is, naast Sam Cooke en Ray Charles, ook Bobby Bland.
 
 
Op 27 januari 1930 wordt Robert Calvin Bland geboren in het plaatsje Rosemark, Tennessee. Met zijn moeder verhuist hij in 1947 naar Memphis, waar hij begint te zingen bij de plaatselijke gospelgroepen. Een van deze bands heet de Miniatures. Ook doet hij mee aan talentjachten, die door Rufus Thomas worden georganiseerd. Hij is vaak te vinden op de fameuze Beale Street en wordt onderdeel van de kring jonge muzikanten, die zich daar vormt en zichzelf passend The Beale Streeters noemen. Hiertoe behoren dan onder meer B.B. King, Johnny Ace en Junior Parker.
Zijn opnamen maakt hij in de vroege vijftiger jaren, maar de oproep voor militaire dienst haalt een streep door de rekening. Als hij in 1954 terugkeert naar Memphis ziet hij dat vele van zijn oude vrienden behoorlijk succesvol zijn geworden. In 1956 begint hij te toeren met Little Junior Parker, waarbij zijn taak in eerste instantie kan worden omschreven als assistent/chauffeur. Ook voor B.B. King en Rosco Gordon zal hij deze taak vervullen. Rond deze tijd ontwikkelt hij de voor hem zo karakteristieke zangstijl.
In 1957 en 1958 behaalt hij de R&B Top 10 met respectievelijk “Farther Up The Road” en “Little Boy Blue”. Beide zijn melodieuze bluesnummers, waar hij wordt begeleid door een big band. Zijn grote talent komt nog beter tot uiting in soulvolle bluesnummers als “Cry Cry Cry”, “I Pity The Fool” en “Turn On Your Love Light”, die begin zestiger jaren verschijnen. In het midden van de zestiger jaren heeft hij een gestage stroom van hits, terwijl hij eigenlijk nooit echt doorbrak in de mainstream popmarkt. Zijn grootste hit is “Ain’t Nothing You Can Do”, die in 1964 op nummer 20 blijft steken. Op de R&B-markt behaalt hij wel diverse top 10-noteringen.
                    
Vanwege financiële problemen is hij in 1968 gedwongen een deel van zijn band te ontslaan en uiteindelijk valt deze groep helemaal uit elkaar. Hierdoor raakt hij in een depressie en wordt hij steeds meer verslaafd aan alcohol. In 1971 stopt hij helemaal met drinken. Zijn platenmaatschappij Duke is inmiddels verkocht aan het grotere ABC Records en dit resulteert voor Bland in een aantal uiterst succesvolle lp’s, waaronder “His California Album” en “Dreamer”. De van de eerstgenoemde lp afkomstige single “This Time I’m Gone For Good” brengt hem voor het eerst sinds 1964 weer terug in de poplijsten en het wordt een R&B Top 10 hit in 1973. “Ain’t No Love In The Heart Of The City” van “Dreamer” wordt in 1978 door Whitesnake gecoverd en in 2001 verschijnt het op een cd van hiphop-zanger Jay-Z. De opvolger “I Wouldn’t Treat A Dog” haalt in 1974 de derde plaats in de R&B-lijsten, maar in de popcharts blijft het steken op nummer 88.
 
In de zeventiger jaren neemt hij twee keer een live-lp op met B.B. King, die elkaar nog kennen uit de beginjaren van hun carrières. Het eerste album, “Together For The First Time” verschijnt in 1974, twee jaar later gevolgd door “Together Again...Live”. In 1985 tekent hij bij Malaco Records en hij maakt voor hen een hele serie albums. Ondertussen toert hij gestaag verder en hij treedt enkele keren samen met oude maat B.B. King op.
In 1998 ontvangst Bobby 'Blue' Bland de Lifetime Achievement Award van de Blues Foundation. Op 1 februari 2010 wordt Bobby Bland tachtigste verjaardag groots gevierd met een concert, waaraan onder meer zijn oude maat B.B. King en ook Clarence Carter, Latimore, Milllie Jackson en Floyd Taylor aan meewerken. Als King het podium op komt voegt Bland zich bij hem en samen spelen zij diverse songs uit hun lange carrières.
 
 
 
Update 24 maart 2013
De Amerikaanse blues- en soulzanger Bobby Bland is zondag in zijn woonplaats Memphis, Tennessee op 83-jarige leeftijd overleden na een lang ziekbed. Blands zoon Rod meldt het overlijden van de zanger, aldus het Amerikaanse televisiestation WMC-TV. Hij stond bekend als de "Sinatra van de blues".

In 1947 startte Bland zijn muzikale carrière en acht jaar later scoorde hij zijn eerste hit in de vorm van Farther Up The Road, dat zijn lijflied zou worden. Bobby Bland, die ook de bijnaam Blue had, scoorde in 1961 opnieuw een grote hit, ditmaal met het vaak gecoverde I Pity The Fool. Twee jaar later scoorde hij hoog met That’s The Way Love Is. In Nederland had Bland enkel met Members Only een hit, dat in de zomer van 1989 de 29e plek bereikte. In 1997 ontving hij een Grammy Award. De liedjes van Bobby Bland werden veelvuldig opgenomen door andere artiesten, waaronder James Brown, David Bowie, Whitesnake, Robert Cray, Vaya Con Dios, Paul Carrack, B.B. King, Steve Miller Band en Eric Clapton. Mick Hucknall van Simply Red nam in 2008 zelfs een volledig album op met Blands liedjes. (Bron: www.nu.nl)

 
Lees meer...   (5 reacties)

Tweeëntachtig jaar oud, een carrière van 65 jaar. Bobby Rush is momenteel de oudste nog levende actieve bluesmuzikant en hij heeft voorlopig nog geen zin om ermee te stoppen. Met zijn opwindende shows met sexy geklede dames en een mix van blues, soul en funk, die hij zelf ‘folk funk’ heeft genoemd, weet hij nog steeds de zalen tot koken te brengen.

                

Op 10 november 1933 wordt hij op een boerderij in de buurt van Homer, Louisiana geboren als Emmit Ellis Jr. Zijn ouders zijn Emmit Sr en Mattie Ellis. Vader Emmit is voorganger in de kerk in zowel Homer als in Pine Bluff, Arkansas. Op de eerste zondag van de maand preekt hij in Homer en op de derde zondag in Pine Bluff. Diens gitaar- en harmonicaspel vormen de eerste muzikale invloed op zoonlief. Als kind experimenteert deze al door met het ijzerdraad van een bezem en een siroopemmer een zogenaamde diddley bow te maken. Verder luistert hij veel naar de radio, voornamelijk stations die Country & Western speelden, zoals Roy Acuff en muziek uit de Grand Ole Opry. Samen met de gospel die hij in de kerk hoorde vormen deze zijn muzikale voorkeuren.

Rond 1946 verhuist hij met zijn familie naar Pine Bluff, Arkansas. Hier wordt hij vrienden met Elmore James, Boyd Gilmore en Moose John Walker met wie hij een band vormt. Hij is nog een tiener en plakt hij vaak een valse snor op om ouder te lijken, zodat hij met de band in de plaatselijke juke joints kan spelen. In Pine Bluff ziet hij voor het eerst optredens van bluesartiesten. De eerste is Big Joe Turner, daarna volgen onder meer Jimmy Reed, Muddy Waters en Howlin’ Wolf.  In 1953 verhuist de familie weer, nu naar Chicago. Hij woont naast Muddy Waters, met wie hij bevriend raakt. Rond deze tijd gaat hij zichzelf Bobby Rush noemen. Hij vond dat hij een naam nodig had, die snel en flitsend klonk. En omdat hij altijd haast had bleek ‘Bobby Rush’ een goede naam te zijn. Hij geeft er nu nog steeds de voorkeur aan dat mensen hem als zodanig aanspreken, niet Mr. Rush of Bobby, maar ‘Bobby Rush’. Hij werkt in de clubs in Chicago en omstreken samen met zijn vriend Muddy en met Jimmy Reed, Earl Hooker en anderen en verdient daarmee net genoeg om er niet in een fabriek bij te hoeven werken.

Rond 1960 treden hij, Earl Hooker en Ike & Tina Turner regelmatig op in de Bagerbar in Rock Island, Illinois. Bobby Rush raakt hij bevriend met de eigenaar van de club, die hem vraagt de huisband te worden en er ieder weekend op te treden. Clubs maken in die tijd vaak gebruik van een ceremoniemeester of komiek om het publiek te vermaken als de band pauze heeft. Als de gecontracteerde komiek het een keer laat afweten neemt Bobby Rush deze taak op zich. Hij verkleedt zich in een overall die hij voor weinig geld bij een tweedehandswinkel heeft gekocht, zet een pruik en snor op en vermaakt als ‘The Tramp’ de toeschouwers  tijdens zijn eigen pauze. Zowel publiek als clubeigenaar heeft niets door en op deze manier weet hij op deze avonden een dubbel inkomen te verdienen. Het duurt vijf maanden voordat de eigenaar hier achter komt, maar omdat het extra publiek trekt laat hij hem voorlopig zijn gang gaan.

                             

Begin zestiger jaren treden in zijn bands nog jonge mensen op als Luther Allison, Bobby King, Luther Johnson en Freddie King. Langzamerhand liet hij de pure Chicagoblues achter zich om zich te gaan richten op het chitlin circuit, waar het publiek meer open stond voor zijn uitdagende shows met sexy danseressen. Zijn muziek verandert ook en Bobby Rush richt zich meer op soul en funk met de blues nog steeds als basis. Zijn shows zijn uitdagend en opwindend en grijpen terug op de vaudevilleshows van de jaren twintig en dertig. Het geheel is opgebouwd rond de danseressen en staat bol van humor, die tegen het vulgaire aan zit, en opzwepende muziek. Begin zeventiger jaren staat hij met het door hem geschreven “Chicken Heads” in de Billboard R&B-lijst. Dit wordt zijn eerste gouden plaat. Dertig jaar later duikt het als gevolg van de film ‘Black Snake Moan’ opnieuw in de hitlijsten op.

In al die jaren heeft hij voor een aantal platenlabels, zoals Checker, ABC, Salem en Jewel, een flinke serie singles uitgebracht. In 1979 verschijnt zijn eerste volwaardige album, “Rush Hour”, dat wordt uitgebracht op het Philadelphia International label. Deze is geproduceerd door Kenny Gamble en Leon Huff. Aan het begin van de tachtiger jaren verhuist Bobby naar Jackson, Mississippi. Daar ligt nog een stuk familiegeschiedenis. Zijn overgrootmoeder aan moeders kant is er als slaaf geboren. Door haar blanke halfbroer is zij met haar broers en zusters stiekem van haar vader/plantage-eigenaar weggevoerd naar Eudora, Arkansas, waar zij in vrijheid konden leven.  De moeder van Bobby Rush liet hem beloven nooit naar deze plaats terug te gaan. Maar blijkbaar is bloed dikker dan water. In Jackson maakt hij opnamen voor het LaJam label. De stijl keert zich nog verder af van de echte blues en draait meer naar de funk. Met het eerste album dat hierop verschijnt, “Sue” in 1981, verdient hij een gouden plaat. Tot en met 1990 brengt Bobby Rush regelmatig albums en singles uit. In 1991 wisselt hij naar het Urgent label, waar hij datzelfde jaar met “I Ain’t Studdin’ You” opnieuw een gouden plaat binnenhaalt. Halverwege de negentiger jaren tekent Rush bij Waldoxy. Rond deze tijd keert hij weer wat meer terug naar de blues.

Samen met Greg Preston begint hij in 2003 zijn eigen label, Deep Rush. Naast zijn eigen albums verschijnen hier ook albums op van anderen, waaronder die van Dexter Allen. Met “FolkFunk” keert Bobby Rush in 2004 terug naar de ouderwetse blues. Op dit label zullen met enige regelmaat albums van Bobby Rush verschijnen.

In de ruim 65 jaar die zijn muziekcarrière nu al beslaat heeft Bobby Rush overal op de wereld opgetreden. Zo is hij in 2007 de eerste bluesartiest die in China optreedt, wat hem de titel ‘International Dean of the Blues’ oplevert. Hij wordt benoemd als Friendship Ambassador of the Great Wall wanneer hij daar het grootste concert ooit houdt. Zijn prijzenkast puilt uit met nominaties en prijzen, waaronder die als Best Male Soul Blues Artist, Best Acoustic Artist en Best Acoustic Album (voor de cd “Raw”) en een Grammy nominatie. In 2006 wordt hij opgenomen in de Blues Hall of Fame.

 

Zoals ik dit artikel begon, hij is 82 jaar oud en heeft een carrière van 65 jaar om op terug te kijken. Nog heeft Bobby Rush geen zin om achter de geraniums te gaan zitten. Hij treedt nog steeds op. Het zijn weliswaar niet meer de jaarlijkse 200+ optredens die hij enkele jaren geleden nog wist op te brengen, maar met regelmaat brengt hij nog steeds dezelfde opwindende shows. Ook het maken van opnamen gaat nog steeds door. In september 2016 zal het nieuwe album “Porcupine Meat” verschijnen. Met een citaat uit een interview, dat ik op 1 juni 2016 met hem had toont Bobby Rush zijn drijfveren: “Ik ben weliswaar 82 jaar oud, maar ik ben nog steeds aan het leren en studeren. Ik ben nog steeds enthousiast, wil mensen ontmoeten, anderen stimuleren. Met mijn 82 jaar ben ik, geloof ik, de oudste nog levende actieve bluesartiest. Samen met mijn goede vriend Buddy Guy, die net een paar jaar jonger is, laat ik zien dat je op onze leeftijd nog steeds actief kunt zijn en jezelf kunt ontwikkelen.”

Website: www.bobbyrushbluesman.com

Reacties (1)
Dat de blues voornamelijk wordt geassocieerd met mannen met gitaren mag een misvatting worden genoemd. Al vanaf het begin hebben vrouwen er een groot stempel op gedrukt. In de eerste jaren voornamelijk als zangeres, uitzonderingen als Memphis Minnie daargelaten. Vooral de laatste jaren laten ook de vrouwen met de gitaar in de hand van zich spreken en zij doen zeker niet onder voor hun mannelijke collega's. Iemand die voor deze vrouwen als voorbeeld geldt is zonder meer Bonnie Raitt. Al vanaf eind jaren zestig timmert zij aan de weg en, zoals het een echte bluesartiest betaamd, heeft zij vele ups en downs gekend.
Op 8 november 1949 wordt Bonnie Raitt geboren in Burbank, Californië als dochter van musicalster John Raitt en pianiste Marjorie Haydock. Zij heeft nog twee broers, Steven en David. Haar ouders zijn lid van de Quakergemeenschap en door deze traditie wordt zowel Bonnies muzikale als sociale interesse gevormd. Als zij acht jaar oud is krijgt voor Kerstmis een Stella-gitaar. Bonnie verhuist naar de oostkust om te studeren aan Harvards Radcliffe College, waar zij African Studies doet met het plan om naar Tanzania te verhuizen en het land te helpen de problemen, veroorzaakt door het westerse kolonialisme, op te lossen. In Harvard stort zij zich met volle overgave in de politieke en sociale onrust van de jaren zestig.
Na drie jaar laat ze school voor wat het is en naast haar bemoeienissen met de politiek blijft zij gitaar spelen en treedt regelmatig op in de koffiebars. Sinds zij als veertienjarige de lp “Blues at Newport 1963” heeft gehoord is zij helemaal weg van de blues. Het duurt niet lang of zij wordt deel van het folk- en bluescircuit van Boston. Hier ontmoet zij bluespromotor Dick Waterman, die haar introduceert bij mensen als Sippie Wallace, Son House en Muddy Waters. Al snel trekt zij de aandacht van Warner Brothers.
In 1971 komt Raitts eerste elpee met de eenvoudige titel “Bonnie Raitt” uit. Naast drie eigen nummers staan hier voornamelijk zorgvuldig uitgekozen covers op. Haar eigen versies van nummers van de hand van Randy Newman, John Prine en Eric Kaz oogsten veel bijval. Door de soulvolle stem en vooral haar vaardigheid op gitaar noemen de critici haar niet minder als een genie. Ook de opvolgers “Give It Up” (1972), “Takin' My Time” (1973), “Streetlights” (1974) en “Home Plate” (1975) worden hooggewaardeerd. Desondanks heeft zij moeite met het krijgen van commercieel succes en het duurt tot 1977 als zij met haar zesde elpee “Sweet Forgiveness” doorbreekt. Vanaf dat ogenblik bieden Warner Brothers en Columbia tegen elkaar op om haar binnen te halen.
 
Haar Quaker-opvoeding brengt Raitt in het begin van de tachtiger jaren op honderden podia om op te komen voor haar idealen en haar steentje aan diverse benefietconcerten bij te dragen. Of het nu tegen nucleaire oorlogsvoering en apartheid of voor de strijd tegen armoede, Bonnie staat er wel en zij deelt het podium in die dagen met artiesten als de Doobie Brothers, James Taylor en Jackson Browne.
Het commerciële succes laat nog steeds echt op zich wachten. In 1982 verschijnt “Green Light” en, hoewel deze ook weer goed wordt ontvangen door de critici, breekt zij nog steeds niet door tot het grote publiek. Terwijl zij aan de opvolger werkt lat Warner Brothers haar onverwacht vallen. Rond deze tijd vecht Raitt ook tegen een drank- en drugsverslaving.
Zij experimenteert verder met haar muziek en werkt ook met Prince aan een aantal songs, maar omdat hun agenda's niet op elkaar af te stemmen zijn, blijven deze pogingen op de plank liggen. In 1986 verschijnt dan haar slechtstverkochte album “Nine Lives”. Haar sociale gevoel en liefde voor blues zorgt dat zij in 1988 medeoprichter wordt van de Rhythm & Blues Foundation, een instelling die zich inzet voor royalty's, financiële omstandigheden en erkenning van oudere bluesartiesten.
Velen schrijven haar af als zij met producer Don Was aan de slag gaat. Ze schaaft wat scherpe en rauwe kantjes van haar stijl af en in 1989 komt de langverwachte en verdiende doorbraak als zij bij haar nieuwe platenmaatschappij Capricorn het album “Nick Of Time” uitbrengt. Hiermee vergaart zij drie Grammy Awards en een vierde volgt dat jaar voor haar duet met John Lee Hooker. Het album stoomt meteen op naar de top van de hitlijsten en er worden er vier miljoen van verkocht. Drie jaar later herhaalt zij het succes met het eveneens door Don Was geproduceerde “Luck Of The Draw”. Er volgen nog een paar Grammies en van de singles “Something To Talk About” en “I Can't Make You Love Me” worden alleen al in de VS meer dan acht miljoen exemplaren verkocht.
                      
In 1991 trouwt Raitt met acteur Michael O'Keefe. Het werk gaat desondanks door en zij maakt nog een aantal succesvolle albums. Dan besluit Raitt dat het voorlopig genoeg is en na ruim twintig jaar constant gewerkt te hebben neemt zij een pauze. Af en toe duikt ze nog op om samen te werken aan projecten met Keb' Mo' en Pete Seeger. Ook op een tribute-album voor Stevie Ray Vaughan zien we haar even, waar ze en passant weer een Grammy in de wacht sleept. In haar vrije tijd zet ze zich volledig in voor goede doelen.
 
Uiteindelijk duikt zij in 1998 weer op met het album “Fundamental”. Het huwelijk met O'Keefe loopt op de klippen en in november 1999 kondigen zij de scheiding aan, die enkele maanden later wordt uitgesproken. In 2000 wordt zij opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame en twee jaar later brengt zij “Silver Lining” uit in 2005 gevolgd door “Souls Alike”. Dan volgt het project “Bonnie Raitt and Friends” met medewerking van Norah Jones, Alison Krauss, Keb' Mo' en Ben Harper. Dit verschijnt zowel op cd als dvd. Met Taj Mahal gaat zij in 2009 op tournee door de VS. De opbrengst van een aantal van deze concerten wordt geschonken aan goede doelen. In verband met de verwerking van de dood van haar ouders, een van haar broers en haar beste vriend trekt Bonnie zich een aantal jaren volledig terug uit de muziek. 
 
In 2012 keert Bonnie Raitt weer terug met haar eerste studio-album sinds zeven jaar. “Slipstream” wordt uitgebracht op haar eigen label Redwing. In tegenstelling tot haar laatste studio-cd's, waar zij vaak met jonge en minder bekende schrijvers werkte, maakt zij hier gebruik van haar leeftijdsgenoten als Paul Brady en Al Anderson, terwijl ook haar ex Michael O'Keefe een nummer bijdraagt. Het gladde is er een beetje vanaf en de oude rauwe Raitt van weleer blijkt teruggekeerd.
Meer dan alleen maar een goedverkopende artiest, een uitstekende en gewaardeerde zangeres en gitarist en componist is Bonnie Raitt een instituut geworden in de blues- en rockmuziek. Een voorbeeld en inspiratie voor generaties van jongere mannen en vooral vrouwen op zowel muzikaal als sociaal actief gebied.
 
 
 
Update: 30 juli 2012
Recensie "Slipstream" : LEES HIER
 
Lees meer...   (2 reacties)
De blues verschijnt in verschillende vormen en gedaanten en iedere vorm heeft zijn vertegenwoordiger of, zo je wilt, stamvaders. De verschijningsvorm van de verschillende bluesstijlen wordt over het algemeen bepaald door de locatie waar het is ontstaan. Zo zijn er bijvoorbeeld de Mississippi-, Texas-, Californië- en Chicagostijlen om er maar een paar te noemen. Een andere belangrijke stijl is de Piedmontblues, die is ontstaan in het oosten van de VS en in het bijzonder in het gebied tussen Richmond, Virginia en Atlanta, Georgia. Het kenmerk  van deze stijl is het spelen van de basmelodie met de duim, terwijl vooral met de wijsvinger melodie wordt gespeeld. Deze gitaarstijl is een afgeleide van de oudere ragtime. 
De belangrijkste vertegenwoordiger van deze speelstijl is Brownie McGhee, die met zijn jarenlange partner Sonny Terry een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de blues werd.
Op 30 november 1915 wordt Walter Brown McGhee geboren in Knoxville, Tennessee. Hij groeit op in het nabijgelegen Kingsport en lijdt vanaf zijn vierde jaar aan polio. Hij wordt later door zijn twee jaar jongere broer Granville in een rolstoel rondgereden, iets wat Granville de bijnaam ‘Sticks’ oplevert. Deze bijnaam blijft aan hem plakken; ook als hij als volwassene een eigen muziekcarrière opbouwt en onder meer een gigantische hit scoort met “Drinkin’ Wine Spo-Dee-O-Dee”.
Vader George ‘Duff’ McGhee is fabrieksarbeider, die in zijn vrije tijd rond University Avenue gitaar speelt. Een oom maakt van een marshmallowblik en een stuk board een gitaar voor de jonge Brownie. Vanaf zijn jeugd duikt Brownie geheel onder in de muziek. Dit o.m. als lid van de plaatselijke harmoniegroep, the Golden Voices Gospel Quartet. Daarnaast leert hij zichzelf gitaar spelen.
Door een operatie in 1937, die door het ‘March of Dimes’-fonds mogelijk wordt gemaakt, kan McGhee weer lopen. Dit fonds ondersteund moeders en kinderen die aan polio lijden en is destijds opgericht door president Franklin D. Roosevelt, die zelf aan deze ziekte leed. Brownie zou wel altijd met zijn been blijven trekken.
 
Als hij 22 jaar oud is wordt Brownie als lid van de Rabbit Foot Minstrels rondreizend muzikant. Hij ontmoet washboardspeler George ‘Oh Red’ Washington (ook bekend als Bull City Red), die hem in contact brengt met platenbaas J.B. Long. Voor Okeh Records neemt McGhee in 1940 zijn eerste nummers op. Als Brownies reizen hem naar North Carolina brengen raak Piedmontgitarist Blind Boy Fuller bevriend met hem. De jonge McGhee is onder de indruk van diens gitaarstijl en gaandeweg neemt hij deze over en bekwaamt zich er verder in. Na Fullers dood in 1941 overtuigt J.B. Long hem om Fullers naam aan te nemen en hij gaat een tijd door het leven als ‘Blind Boy Fuller No. 2’ . Rond deze tijd heeft McGhee al diverse opnamen gemaakt voor Okeh Records in Chicago, waaronder “Death of Blind Boy Fuller”. Maar het echte succes komt pas in 1942 als hij naar New York verhuist. Hij vormt een duo met harmonicaspeler Sonny Terry, die hij al sinds 1939 kent toen deze nog met Blind Boy Fuller samenspeelde. Zij nemen onder meer “Workingman’s Blues” op en hebben onmiddellijk succes. 
Vanaf hun verhuizing naar New York maken McGhee en Terry deel uit van de opkomende folkscene, waar ook Pete Seeger, Woody Guthrie en Lead Belly deel van uitmaken. Hoewel zij voornamelijk bekend staan als pure folkartiesten, die voor een blank publiek spelen, hebben McGhee en Terry in de veertiger jaren succes met een jumpbluescombo, compleet met scheurende sax en spetterende piano. Een grote R&B-hit hebben zij in 1948 met “My Fault”. Zij noemen zich hierbij onder meer ‘Brownie McGhee and his Jook House Rockers’ en ‘Sonny Terry and his Buckshot Five’ en spelen regelmatig met mensen als Champion Jack Dupree en Big Chief Ellis. McGhee en Terry hebben in die jaren zowel samen als solo diverse hits. Daarnaast treden zij op in Broadway producties “Finian’s Rainbow” en “Cat On A Hot Tin Roof”. Naast het werk met Terry doet hij veel solowerk en neemt om, problemen met zijn platenmaatschappij te voorkomen, op onder namen als Spider Sam en Blind Boy Williams.  
                    
McGhee en Terry horen bij de eerste bluesmuzikanten die op uitnodiging van de Britse jazzmusicus Chris Barber de oversteek naar Europa maken en vervolgens zullen zij deze reis nog vaak maken. Tijdens de bluesrevival van de zestiger jaren worden McGhee en Terry zeer populair in de clubs en op festivals. Buiten dat zij zo af en toe nieuw werk uitbrengen blijven zij trouw aan het klassieke Piedmontblues- en folkwerk. Het wordt zo langzamerhand voorspelbaar, maar wat zij afleveren blijft op een constant hoog niveau.
Vanaf de jaren vijftig heeft McGhee in Harlem zijn School of Blues, waarin hij gitaarles geeft. In 1971 verschijnt onder de naam “Guitar Styles of Brownie McGhee” een boek met gitaarlessen van zijn hand. Een van zijn leerlingen, Happy Traum, heeft dit werk uitgeschreven en tussen de lessen door laat hij Brownie aan het woord over zijn jeugd, zijn eerste stappen in de muziek en de geschiedenis van de blues, zoals hij dat heeft meegemaakt.

Maar net als bij veel andere relaties houdt het ook bij dit duo, later ook wel ‘The original blues brothers’ genoemd, ook een keer op. Al vanaf halverwege de zeventiger jaren geeft Terry er tijdens hun concerten de voorkeur aan met een andere gitarist samen te spelen. McGhee doet dan solowerk. Vanaf 1980 gaan beiden als soloartiest verder.

Naast muziekoptredens en –opnamen zijn de heren regelmatig op het witte doek te zien. In 1979 treden zij samen op in de filmcomedy ‘The Jerk’ met Steve Martin en in 1987 verschijnt McGhee als blueszanger Toots Sweet in de thriller ‘Angel Heart’ en hij duikt een jaar later op in een aflevering van ‘Family Ties’, waarin hij blueszanger Eddie Dupre speelt. In 1989 speelt hij een blueszanger in een aflevering van 'Matlock'.

In 1995 treedt Brownie nog op tijdens het Chicago Blues Festival, waar hij een van de sterren van de show was met een loopbaan die meer dan zestig jaar omspande. Enkele maanden later, op 16 februari 1996 overlijdt Brown McGhee in Oakland, Californië, op tachtigjarige leeftijd aan de gevolgen van maagkanker. Zijn overlijden is een groot verlies voor de blueswereld. Ondanks zijn hoge leeftijd en het feit dat hij al min of meer met pensioen was gegaan bleef hij vanwege zijn status als maatgevende vertegenwoordiger van de Piedmontstijl wereldwijd een veelgevraagd artiest. Er stonden zelfs alweer optredens in Australië gepland.
 
Reacties (2)
“Toen ik voor het eerst het geluid van de elektrische gitaar hoorde, dacht ik, dat iemand mij in de maling nam”, zegt Buddy Guy. “Wij leefden zo ver op het platteland dat ik amper wist wat een akoestische gitaar was, totdat mijn moeder van die postordercatalogussen ontving.” Inmiddels kun je wel stellen dat hij de King van de Chicagoblues, zoals eerder zijn idool en mentor Muddy Waters dat was. Toch is het nog niet eens zo lang gelden dat Buddy Guy niet eens een fatsoenlijk platencontract kon krijgen. Maar sinds zijn drie albums voor Silvertone aan het begin van de negentiger jaren allemaal een Grammy hebben gehaald en Eric Clapton hem zijn favoriete gitarist noemt behoort hij tot de absolute top.
George Guy werd op 30 juli 1936 geboren in Lettsworth, Louisiana, waar zijn ouders sharecroppers waren. In zijn jeugd knutselde hij zelf van draad, hout en blikken zijn instrumenten in elkaar, maar nadat hij Lightnin' Slim op een elektrische gitaar had zien spelen liet hij zijn ambitie om honkballer te worden varen en weidde hij zich alleen nog maar aan de muziek. Hij kocht een oude akoestische gitaar en toen hij zichzelf goed genoeg vond verhuisde hij naar Baton Rouge om professioneel muzikant te worden. Eerst in de band van “Big Poppa” John Tilley en later bij harmonicaspeler Raful Neal. Roem vergaren en geld verdienen kon eigenlijk alleen maar in Chicago en vol goede moed verhuisde Guy in 1957 naar de Windy City. In het begin viel het zwaar tegen en totaal verhongerd en zonder werk trof Muddy Waters hem op een avond aan en nam de jonge gitarist onder zijn hoede. Door zijn nieuwe mentor werd Guy al snel in Chicago's blueswereld geïntroduceerd en kon hij samenspelen met Freddie King, Otis Rush en Magic Sam. Door bemiddeling van de laatste kon hij al in 1958 voor Cobra zijn eerste singles uitbrengen.
Toen Cobra failliet ging was hij zo slim om Otis Rush te volgen naar Chess, waar hij in 1960 “First Time I Met The Blues” en “Broken Hearted Blues” opnam. Hier zijn al duidelijk het felle gitaarwerk en de hoge falsetstem te horen die zijn handelsmerk zouden worden. Bij Chess bracht hij tot 1967 een volledig catalogus met songs uit, waaronder "Let Me Love You Baby", "Ten Years Ago", "Stone Crazy", "My Time After Awhile", "Leave My Girl Alone" en "No Lie". Daarnaast werkte hij bij hen als sessiegitarist en is hij op diverse opnamen te horen van Muddy Waters, Howlin' Wolf, Little Walter, Sonny Boy Williamson en bij Koko Taylor op haar megahit “Wang Dang Doodle”. 
Ook voor andere platenmaatschappijen deed hij sessiewerk, veelal onder een schuilnaam om zijn baantje bij Chess niet in gevaar te brengen. Zo was Guitar Buddy op “Fleetwood Mac In Chicago” en Friendly Chap op Junior Wells' eerste lp “Hoodoo Man Blues”.
In 1967 verruilde hij Chess voor Vanguard en al snel kwam zijn eerst lp uit voor dit label: “A Man And The Blues”, gevolgd door “This Is Buddy Guy” en “Hold That Plane!”. Met harmonicaspeler Junior Wells had Guy al vaker samengespeeld, maar hun eerste echte samenwerking kwam in 1969 op de lp “Buddy And The Juniors” (met pianist Junior Mance als de tweede junior) en in 1970 op “Buddy Guy & Junior Wells Play The Blues”. Het duo werd gevraagd het voorprogramma te verzorgen voor de wereldtoernee van de Rolling Stones in 1970.
De samenwerking tussen Guy en Wells duurde tot in de tachtiger jaren, maar ook later speelden de heren regelmatig met elkaar.
              
Buddy Guy's reputatie onder gitaristen als Eric Clapton, Jimi Hendrix en Stevie Ray Vaughan was enorm, maar toch was hij in de tachtiger jaren niet in staat een platendeal te krijgen. Dat veranderde toen hij met hulp van Stevie Ray Vaughan bij Silvertone onder contract kwam en “Damn Right, I've Got The Blues” uitbracht, waarmee Buddy Guy een Grammy Award in de wacht sleepte.
Vanaf dat moment kreeg zijn carrière een kick, begon hij stadions te vullen, kreeg tv-optredens en reisde hij weer de hele wereld over. De opvolger “Feels Like Rain” was, ondanks een paar juweeltjes, artistiek gezien een tegenvaller, maar met het in 1994 uitgebracht “Slippin' In” had Guy de juiste weg weer gevonden.
Kort voor diens dood nam hij met zijn oude partner Junior Wells in zijn eigen bluesclub Legends de live-cd “Last Time Around: Live At Legends” op.
In 2001 vertrok Buddy Guy naar Mississippi om voor Fat Possum het akoestische “Sweet Tea” op te nemen. Een volledig uit de toon vallend countryblues album, maar ongetwijfeld een van de beste die hij ooit heeft gemaakt. En kennelijk had hij er nog niet genoeg van, want twee jaar later volgde het prachtige akoestische “Blues Singer”, waarvoor Guy ook een Grammy won.
Maar op het in 2005 uitgebracht “Bring 'Em In” was Guy weer te horen, zoals we hem allemaal kennen: fel, luid en elektrisch. En hetzelfde geldt voor de opvolgers “Skin Deep” (2008) en “Snakebite” (2009).
 
Naast het om de paar jaar uitbrengen van een nieuwe cd treedt de inmiddels 69-jarige Buddy Guy nog steeds over de hele wereld op. Daarnaast heeft hij ook zijn eigen bluesclub Legends in Chicago. Je kunt inmiddels stellen dat hij de ongekroonde koning van de Windy City is.
 
 





Lees meer...   (3 reacties)
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl