barnowlblues.punt.nl
by Eric Campfens

Zo’n anderhalf jaar geleden bracht Bill Phillippe zijn eerste soloalbum, “Ghosts” uit. Een donker gestemde akoestische cd met nummers die hun basis hebben in de Deltablues. Met zijn tweede album “Parade” gaat Bill een stapje verder. De elf nummers, waarvan negen door hemzelf geschreven, grenzen wat meer aan de (New Orleans) jazz dan aan de countryblues.

Op dit album wordt Bill begeleid door Ivor Holloway (klarinet), Swen Hendrickson (staande bas) en Glenn Hartman (accordeon). Met de ogen dicht waan je je terug in het New Orleans aan het begin van de vorige eeuw. De muziek klinkt ouderwets, maar is zeker niet gezapig. Het is fris en swingend. Ook de teksten zijn het waard om goed te worden beluisterd. Mijn favoriete nummers zijn “14th Street” vanwege het mooie samenspel tussen klarinet en accordeon, en het titelnummer “Parade”.

Website: www.billphillippemusic.com


Reacties (3)

Na zo’n dertig jaar in en rond San Francisco in een aantal bands gespeeld te hebben heeft Bill Phillippe het plan opgevat om eens wat voor zichzelf te gaan doen. Na zich al die jaren met funk en soul te hebben bezig gehouden vond hij het eens tijd worden om de muziek, die hem vroeger heeft geïnspireerd, weer eens op te pakken. En alleen begeleid door zijn eigen gitaar heeft hij het album “Ghosts” gevuld met songs die in de geest van de Mississippi Delta liggen.

 

De cd bestaat uit dertien songs, waarvan er zes van eigen hand en de rest oude bekenden, zgn. traditionals, zijn. De teneur van het hele album is vrij treurig en donker, maar daarom niet minder mooi. De hele klank komt ouderwets over, wat de originaliteit van Phillippes muziek ten goede komt. Uitschieters in positieve zin zijn de eigen compositie “The Ballad Of Blind Willie” en de van Son House bekende “Death Letter”.

BarnOwlBlues vindt een puur bluesalbum als deze een verademing in een wereld waarin alles steeds gladder en klinischer wordt opgenomen.

www.billphillippemusic.com

Reacties (1)
Billy Price zette zijn eerste muzikale stappen als zanger in de band van Roy Buchanan, bij wie hij op twee albums (“That's What I'm Here For” en “Live Stock”) meewerkte. Later richtte hij de Keystone Rhythm Band en de Billy Price Band op. Ook de Fransman Fred Chapellier is geen nieuwkomer die inmiddels al behoorlijk zijn sporen heeft verdiend in de blueswereld. Hij wordt beschouwd als de beste bluesgitarist van Frankrijk en heeft al diverse prijzen in de wacht gesleept.
Billy en Fred werkten samen op “A Tribute To Roy Buchanan” en deze samenwerking beviel zo goed dat zij samen het studio-album “Night Work” opnamen. Het album, dat ik nu voor mij heb liggen is een in Frankrijk opgenomen liveregistratie “Live On Stage”, die als CD/DVD is uitgekomen.
 
De opener “Keep It To Yourself” is een lekkere shuffle, die meteen de stemming er inbrengt. “She Left Me With These Blues” is een smeuïge blues, waarbij de blazers een mooie steun vormen. Het volgende nummer “Don't Let My Baby Ride”is een slowblues, waarbij je nu echt de invloed van Roy Buchanan op het spel van Chapellier hoort. “Night Work” is een wat vlottere shuffle. Het klinkt aanstekelijk en swingt. Goede zang, goed gitaarwerk, lekkere blaaspartijen en een vette saxsolo. Wat wil je nog meer. Dan volgt het soulvol gezongen en funky gespeelde “When The Lights Came On”. Een lekker swingend nummer, waarbij de blazers zorgen voor een nachtclubsfeertje. Hier trekt Chapellier even lekker alle registers open met de gitaarsolo. De slowblues “I'll Take Care Of You” zorgt voor een rustig moment op deze cd. Prachtig gezongen door Price en het gedragen geluid van het orgel mengt zich mooi met de rustig spelende en soms weer aan Buchanan herinnerende gitaar. Een fantastische solo.
In het swingende “A Nickel And A Nail” horen we eindelijk het publiek eens tijdens een nummer. En Chapellier geeft ze met een opwindende solo waar voor hun geld. “Under The Influence” begint met een aanstekelijke gitaarlick. Hier hoor je hoe goed en strak de band eigenlijk samenspeelt. Blazers, drums, bas, alles klopt om Price & Chapellier de ruimte te geven om een goede prestatie te leveren. In de rustige shuffle “Last Two Dollars” laar Fred Chapellier horen wat voor een veelzijdig gitarist hij is en welke klanken hij allemaal aan zijn instrument weet te ontlokken. Jammer dat Billy's stem het bij de hoge tonen bijna laat afweten. “Love And Happiness” is een meer funky soulnummer, dat duidelijk goed wordt ontvangen door het publiek. Met “Good Time Charlie” wordt deze cd afgesloten. Een prima uptempo nummer met een flitsende gitaarsolo, dat het publiek nog eens weet op te zwepen.
 
Het gitaarwerk van Fred heeft duidelijk kenmerken van zijn voorbeeld Buchanan en gekoppeld aan de stem van Billy Price levert dit een bijzonder fraaie cd op met daarop aanstekelijke songs. Vooral in de lagere regionen is Price een goede zanger, maar als hij de hoogte ingaat dan wordt de stem afgeknepen. Maar dat is dan ook mijn enige punt van kritiek.
 
Lees meer...   (1 reactie)

Hoewel de naam Billy Price velen misschien niet veel zegt heeft hij al een carrière van enkele decennia achter de rug. Deze als William Polak geboren zanger maakte in de zeventiger jaren een tijdlang deel uit van de band van Roy Buchanan en hij is te horen op "Live Stock" en "That's What I'm Here For". Naast een negental eigen albums heeft samenwerking met de franse bluesgitarist Fred Chapellier ook nog twee cd's opgeleverd. Ondanks deze output is hij voor het grote publiek grotendeels onbekend gebleven.

Vanwege zijn huidskleur wordt Billy Price gestopt in het hokje 'blue-eyed soul'. Een beetje raar, vind ik, je hebt soul of je hebt het niet. En Billy Price heeft het, dat mag duidelijk zijn. Soul met een flinke dosis blues. En dat is duidelijk vanaf het eerste ("Driving Wheel") tot het laatste ("I've Got Love On My Mind") nummer. Muzikaal zit het album prima in elkaar. De muziek heeft een lekkere groove en swingt. Dat is voor het grootste deel te danken aan de sterke 8-mans begeleidingsband, die wordt versterkt door Monster Mike Welch, zijn franse gitaarvriend Fred Chapellier en de van de Nighthawks afkomstige Mark Wenner en Mark Stutso. Zelf vind ik de stem van Price wat minder sterk dan op vorige albums. De beste songs zijn naar mijn mening "Sweet Soul Music", niet te verwarren met de oude Arthur Conley-hit, de blues "Part Time Love" en het funky "I've Got Love On My Mind".

Jammer dat de stem van Billy Price op dit album niet meer zo goed uit de verf komt; ik heb hem betere dingen horen doen. Maar voor liefhebbers van soulblues blijft het een album, dat waard is beluisterd te worden.

Reacties (1)

De Italiaanse Davide Pannozzo gitarist kreeg het aanbod om een album te laten produceren door drummer Steve Jordan en bassist Will Lee. Voorwaarde was dat hij naar New York zou moeten verhuizen. Om deze kans te krijgen was een verhuizing geen probleem voor Davide, dat is wel duidelijk. Zijn eerste cd verscheen in 2003, op zijn vierde (“Born Electric” uit 2012) werd hij begeleid door Robben Ford en Carl Verheyen en onlangs is zijn zesde verschenen, waarbij de productie in handen was van de eerder genoemde Jordan en Lee.

Op “Unconditional Love”, zoals de cd heet, staan tien nummers, waarvan acht door Pallazzo zelf zijn geschreven. De twee covers zijn bewerkingen van nummers van George Harrison en Billy Cobham. In zijn spel  hoor je invloeden van Jeff Beck, Eric Clapton en Jimi Hendrix, die hij in een eigen stijl weet te smeden. Het is stevig en melodieus. Dat stevige is meteen duidelijk met het eerste nummer “Six Wires”, gevolgd door het wat lichtere reggae-achtige “Living Loving & Giving”. Het soulvolle “I Heard You” en de naar de country neigende “Bring Me To The Light” maken de variatie in het aanbod compleet. Het funky “One & Only” eindigt met een fantastische gitaarsolo en met het stevige “Changing Illusions” horen we Jeff Beck en Jimi Hendrix terug. In George Harrisons “Wah Wah” hoor je wat oosterse mystiek terug, dat wordt gevold door het jazzy “The Purest Thing” en de jazz/funk “Stratus”, dat is geschreven door Billy Cobham. Als uitsmijter krijgen we nog een stuk fusion voorgeschoteld met “Lord Knows What’s In My Heart”.

Een uitstekend album van deze Italiaanse snarengeselaar. Aanrader.

Website: www.davidepannozzo.com

Reacties (3)

Derrick Procell zingt al vanaf toen hij nog een kind was. Hij trad al op toen hij daar volgens de Amerikaanse wet nog te jong voor was en zijn eerste opnamen maakte hij met de band Mother’s Worry toen hij zestien jaar oud was. We zijn nu enkele decennia verder en Derrick heeft er vele duizenden uren op zowel podium als in de studio op zitten. Zijn stem is te horen in reclamespots, zijn nummers zijn gebruikt in film en tv-series en ook door anderen opgenomen. Een aantal jaar geleden begon hij samen met Terry Abrahamson nummers te schrijven. Ook Abrahamson heeft een respectabele carrière gemaakt, heeft o.m. een Grammy Award in de kast staan en zijn nummers zijn opgenomen door Muddy Waters en Bob Margolin.

De samenwerking tussen Procell en Abrahamson resulteerde in een zestigtal nummers, waarvan er acht op deze zijn terechtgekomen. De overige vier nummers zijn uitsluitend door Procell geschreven. Behalve de zang speelt Procell ook keyboard, harmonica, bas en de programmering van de drums. Voor de overige instrumenten staan hem goede studiomuzikanten ter zijde. Als speciale gasten horen we zanger Eddie Shaw, harmonicaspeler Billy Branch en gitarist Bob Margolin, elk op een nummer meespelen. Het resultaat mag er zijn: twaalf goed geschreven nummers met elk een veelzeggende tekst. Een ode aan Howlin’ Wolf in “The Wolf Will Howl Again”, een reis door de blues “Why I Choose To Sing The Blues”, de dood van B.B. King in “Who Will Tell Lucille” om maar een paar voorbeelden te geven. In twaalf nummers vertelt Derrick Procell waarom hij de blues zingt.

Van de vele cd’s die ik jaarlijks krijg aangeboden zijn er maar enkele waarvan je rechtop gaat zitten, luistert, nog eens luistert en steeds maar weer naar terug grijpt. “Why I Choose To Sing The Blues” van Derrick Procell is er zo een. Een eenzaam hoog niveau.

Website: www.derrickanamerican.com


Reacties (3)

Dat Tulsa, Oklahoma muzikaal vruchtbaar is mag als algemeen bekend worden beschouwd. Dit met mensen als Leon Russell en J.J. Cale als beroemdste voorbeelden. Maar met het verscheiden van beide giganten is de voorraad aan muzikaal talent zeker nog n iet uitgeput. Een voorbeeld hiervan is een man als Dustin Pittsley. Geboren in Chandler, Oklahoma (tussen Tulsa en Oklahoma City) is de basis van zijn muzikale ontwikkeling gelegd door de platenverzameling van zijn vader. Vanaf zijn tienerjaren heeft Dustin een reputatie als gitarist opgebouwd en in de loop van zijn carrière heeft hij zowel zijn vocale als zijn schrijvende talenten steeds meer ontwikkeld.

Met de eenvoudige titel “Dustin Pittsley Band” is onlangs zijn zevende cd verschenen met daarop negen zelfgeschreven nummers. Hij wordt begeleid door David Teegarden Jr. (drums), Chris Kyle (keyboards) en Donnie Wood (bas). Wat stijl betreft kun je denken aan een combinatie van blues, southern rock, americana. Negen mooie muzikale verhaaltjes, variërend van rockend werk tot ballads, het zit er allemaal in. De band zorgt voor een adequate steun, Dustin heeft een prima, goed verstaanbare stem en een vloeiende gitaarstijl. Ik ben vooral onder de indruk van “Rare To Be Right”. Gedragen door het orgel, de tempowisselingen, het haast lyrisch aandoende outro zorgen ervoor dat dit een van de hoogtepunten is.

Een prachtige cd, een absolute aanrader voor iedere liefhebber van de muziek van bv de Allman Brothers Band en Gov’t Mule.

Website: www.facebook.com/dustinpittsley


Reacties (1)
De uit Arkansas afkomstige zanger/gitarist Joe Pitts is voor mij nieuw. Dat kan ook van voordeel zijn, want des te onbevangener luister je naar iemands werk. Ik laat me maar eens verrassen. Ik heb me expres ook niet verdiept in 's mans c.v. en laat het eens lekker op me afkomen.
“Ten Shades Of Blue” bestaat uit tien bekende en minder bekende covers. Ik ben benieuwd en laat de naald spreekwoordelijk in de groef zakken.
De opener “Breaking Up Somebody's Home” klinkt in ieder geval al aangenaam. Een lekker vloeiend ritme, een rauwe stem, die doet denken aan die van David Clayton-Thomas (Blood Sweat & Tears) en een gitaarsolo dat qua toon en aanzet nog wel het meeste weg heeft van Albert King. Een goed begin dus. Het volgende nummer is het van Muddy Waters afkomstige “Cross-Eyed Cat” met lekker harmonicawerk en een traktatie op de slidegitaar. Op “Clouds On The Horizon” van Walter Trout overschreeuwt hij zich naar mijn mening nog al. De felle gitaar maakt echter weer een hoop goed. Met Luther Allisons “Pain In The Streets” houdt hij zich in en komt zijn stem ook veel beter over. Een lekker Hammondorgel-geluid maakt het geheel zo lekker smeuïg. “Freedom From My Demons” (Eric Gale) is een lange, melodieuze bluesballad met een lekkere felle gitaar.
“Put The Shoe On The Other Foot” is een mooie versie van de Albert Collins-song. Je zou soms zweren dat zijn stem op die van Collins lijkt. Dan volgt “I'm Worried” van Elmore James, waarbij Pitts deze meer in een Allman Brothers Band-richting stuurt. Met een heerlijke slide. Het rustige “No Stranger To The Blues” laat hem van een heel andere kant horen: jazzy en bij wijlen zelfs in hoger sferen. Een mooie song. Op John Mayalls “Walking On Sunset” gaat hij weer lekker los. Een lekkere shuffle en een prachtige slidegitaar maken dit een van de meest opwindende nummers van de cd. En als fraaie afsluiting krijgen we akoestische versie te horen van Peter Greens “The World Keeps On Turning”. Een mooie combinatie van akkoordenwerk en fingerpicking zorgen voor een waardig slot.
 
Joe Pitts is duidelijk beïnvloed door mensen als Clapton, Vaughan en Albert King. Maar hij schuwt het niet ook Muddy Waters en Elmore James te vertolken. De covers worden niet klakkeloos nagespeeld, maar Pitts heeft genoeg klasse er zijn eigen versies van te maken. En hij laat zich vergezellen door uitstekende muzikanten. Een aangename cd en na het beluisteren hiervan ga ik me eens verder verdiepen in het werk van Joe Pitts.
 
Lees meer...   (1 reactie)
De Canadese zanger / gitarist / songschrijver / leraar Joe Poirier is geboren op het eiland Cap Breton voor de kust van Nova Scotia. Hij groeide op met de plaatselijke van oorsprong Keltische vioolmuziek, maar vanaf zijn twaalfde concentreerde hij zich op de gitaar. Een jaar of tien geleden is hij verhuisd naar Toronto en met “Sunshine” is nu zijn derde album uitgekomen.
Als we de hoes mogen geloven – een eenzame man, zittend op treinrails en gitaarspelend – krijgen we een album vol met countryblues te horen. Maar niets is echter minder waar. Poirier trekt meteen fel, en elektrisch, van leer. Fel en elektrisch, maar in ieder geval smaakvol en melodieus. Joe Poirier is een goede gitarist, die hard en zacht weet te combineren en diverse gitaarstijlen in de vingers heeft. Hij heeft zich voor dit album duidelijk laten sturen door voorbeelden als Jimi Hendrix, Stevie Ray Vaughan en Johnny Winter. De invloed van de eerste twee komt duidelijk tot uiting in “How Long” en “At The Crossroads”.
Stemtechnisch is hij helaas niet erg sterk. Het bereik is beperkt en zo lang hij zich hierbinnen begeeft is er niets aan de hand, maar gaat hij in de hogere regionen dan wordt het allemaal te geforceerd. “Once You Leave” is daar een goed voorbeeld van. Gelukkig maakt zijn gitaarspel dat gemis weer meer dan goed.
 
Conclusie 
Ondanks het wat zwakke zangwerk is “Sunshine” een erg leuk album geworden. Vooral het gevarieerde en frisse gitaarwerk zorgt voor menig hoogtepunt.
Lees meer...   (3 reacties)

John Ginty is een veelgevraagd organist/toetsenist uit New Jersey, die heeft gespeeld met artiesten als Jewel, Santana, Allman Brothers, Gov’t Mule, Ron Sexsmith om er maar een paar te noemen. Ook stond hij aan de wieg van Robert Randolph Family Band en heeft hij een aantal succesvolle albums op zijn naam staan. As ter Pheonyx is een gevierde rockzangeres uit dezelfde stad. Nadat zij een keer het voorprogramma van Ginty had verzorgd en tijdens diens set meezong bleek het tussen beiden te klikken.

Het resultaat van deze klik ligt er nu in de vorm van het gezamenlijke album “Rockers”. Op de cd staan twaalf eigen nummers, waarvan tien van Ginty/Pheonyx en twee van Ginty met zijn bandleden Justine Gardner (bas) en Maurice ‘Moe’ Watson (drums). Verder maakt gitarist Mike Buckman deel uit van de band. De titel van de cd dekt de lading prima. Het is inderdaad een stevig rockend geheel geworden. Pheonyx is een prima zangeres, die zowel rocknummers als ballads uitstekend weet te vertolken. Aan de kwaliteiten van Ginty als toetsenspeler hoeft niet te worden getwijfeld, en ook de rest van de band is goed op dreef. Er is voldoende variatie door invloeden van soul en blues om het een interessant geheel te houden. De beste nummers zijn naar mijn smaak het rockende “Lucky 13”, waarbij drummer Watson er de gang flink in houdt, en “Mr. Blues”, waarbij Asters zangkwaliteiten grote indruk maken.

Liefhebbers van bluesrock met een stevige portie soul zouden deze cd zeker moeten beluisteren.

Website: www.johngintymusic.com

Reacties (2)
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl