barnowlblues.punt.nl
by Eric Campfens
B.B. King (deel 1)
Over de hele wereld wordt hij gezien als de Koning van de Blues en zonder enige twijfel is B.B. King dé belangrijkste elektrisch gitarist van de afgelopen vijftig jaar. Zijn bending- en staccatostijl hebben generaties blues- en rockgitaristen beïnvloed, terwijl zijn volle en soulachtige stemgeluid een goede tegenhanger vormt voor zijn gepassioneerde gitaarspel. Tussen 1951 en 1985 heeft hij een indrukwekkend aantal van 74 songs gehad, die de Billboard R&B-lijsten hebben bereikt en hij was een van de weinige bluesartiesten, die een grote hit had in de poplijsten (“The Thrill Is Gone”, 1969). Hij heeft meer dan vijftig albums uitgebracht en vele daarvan zijn bluesklassiekers geworden.
De oorsprong van Kings talent wortelt diep in de bluesrijke Mississippi Delta, waar hij als Riley B. King op 16 september 1925 in de buurt van het plaatsje Itta Bena wordt geboren als kind van Albert King en Nora Ella Farr. Zijn vader verlaat zijn gezin als Riley nog heel jong is. Deze woont dan afwisselend bij zijn moeder en oma. Zijn moeder hertrouwt snel weer. Als jongeman werkt hij op het land als boerenknecht en al heel jong zingt hij de gospel in de Elkhorn Baptist Church in Kilmichael, waar zijn oma woont. Als twaalfjarige koopt hij zijn eerste gitaar voor 15 dollar. In 1943 verhuist Riley naar het eveneens in de Mississippi Delta gelegen Indianola, waar hij op de straathoeken zingt om wat geld bij te verdienen. Ook speelt hij gitaar bij het St. John's Quartet. Soms is hij op een dag wel in vier verschillende plaatsen te zien.
Country en gospel laten een onuitwisbare indruk na op King, samen met de speelstijl van groten als T-Bone Walker, Lonnie Johnson en Charlie Christian. Na een verblijf in militaire dienst vertrekt Riley in 1946 naar Memphis om op zoek te gaan naar een neef, die inmiddels als bluesman naam heeft gemaakt: Bukka White. In de komende tien maanden leert deze Riley de fijnere kneepjes van het gitaarspel. Alleen diens typerende slidetechniek weet Riley maar niet onder de knie te krijgen, maar daar vindt hij wat anders op.
 
Hij gaat daarop met zijn vrouw Martha nog even terug naar Indianola om het vak als boer weer op te nemen, maar laat 1948 keert hij terug naar Memphis en nu om er voorlopig te blijven. Zijn eerste kans hiervoor komt als hij in het programma van Sonny Boy Williamson op KWEM uit West-Memphis, AR optreedt. Dit leidt tot een vast contract bij de 16th Avenue Grill in deze plaats. Het radiostation WDIA had kort daarvoor besloten uitsluitend programma's gericht op de zwarte bevolking uit te zenden. Als de vaste DJ Maurice “Hot Rod” Hulbert er vertrok neemt King zijn programma over. Hij heeft in de clubs van Memphis en West-Memphis al naam gemaakt en kan door zijn contacten met clubeigenaars bij de radio terecht. Zijn programma, King’s Spot, wordt gesponsord door een alcoholisch middeltje met de naam Peptikon. King wordt dus op de radio eerst bekend als 'The Peptikon Boy', maar dat wordt al snel gewijzigd in 'Beale Street Blues Boy'. Later kort hij het af tot 'Blues Boy' en vervolgens gewoon tot 'B.B.'. Zijn programma wordt steeds populairder en al snel omgedoopt in Sepia Swing Club.
 
In 1949 volgt de echte doorbraak voor King. Hij neemt zijn eerste vier nummers op voor Bullet Records, waaronder één, die hij opdraagt aan zijn vrouw: “Miss Martha King”. Daarna tekent hij een platencontract bij het in Los Angeles gevestigde RPM Records van de gebroeders Bihari. In de komende jaren neemt hij in Memphis voor RPM een veeltal aan nummers op. Veel van de opnamen worden geproduceerd door de jonge Sam Phillips, die later Sun Records zal oprichten. Phillips is dan al producent van Howlin' Wolf, Rosco Gordon en radiocollega van King bij WDIA, Rufus Thomas.
De gebroeders Bihari nemen zelf ook een deel van Kings vroege werk op met behulp van mobiele opname-apparatuur. Kings eerste hit “Three O'Clock Blues” wordt bijvoorbeeld in de YMCA in Memphis opgenomen. Tot Kings vaste partners behoren in die tijd zanger Bobby Bland, drummer Earl Forest en zanger/pianist Johnny Ace. Als King op tournee gaat om “Three O'Clock Blues” te promoten geeft hij zijn vaste begeleidingsband, the Beale Streeters, aan Ace.
In 1956 spelen King en zijn band het onwaarschijnlijk aantal van 342 keer. En dit toeren heeft hij nog steeds niet afgeleerd. Hij haalt in zijn goede jaren een gemiddelde van 300 optredens per jaar.
Rond deze tijd noemt King zijn gitaar voor het eerst 'Lucille'. Volgens het verhaal, dat hij zelf vertelt, speelde hij eens in een klein stadje in Arkansas, genaamd Twist. Tijdens zijn optreden breekt een vechtpartij overeen vrouw uit. Tijdens dit gevecht wordt een kachel omgestoten die het zaaltje binnen de kortste keren in lichterlaaie zet. Samen met de anderen vlucht King naar buiten, terwijl hij zich realiseert dat zijn dertig dollar dure gitaar nog binnen staat. Hij gaat terug het brandende zaaltje in en redt zijn gitaar uit de vlammen. Later hoort King dat de vrouw om wie de vechtpartij was ontstaan Lucille heet. Vanaf dat moment noemt B.B. King zijn gitaar 'Lucille'. Inmiddels hebben veel van Kings gitaar deze naam gedragen en Gibson heeft zelfs een kleine serie onder deze naam uitgebracht.
                     
B.B. scheidt in 1952 van zijn vrouw Martha Lee Denton, met wie hij in 1946 is getrouwd. In de vijftiger jaren wordt King een gigantische hitmachine. Hij neemt zijn nummers nu meestal op in Los Angeles voor RPM en opvolger Kent. Door het uitgebreide toeren moet hij zijn baantje bij de radio in Memphis opgeven. In deze jaren scoort hij hits met nummers als "You Know I Love You" (1952), "Woke Up This Morning" en "Please Love Me" (1953), "When My Heart Beats like a Hammer", "Whole Lotta' Love" en "You Upset Me Baby" (1954), "Every Day I Have the Blues", het dromerige "Sneakin' Around" en "Ten Long Years" (1955), "Bad Luck", "Sweet Little Angel" en het Platters-achtige "On My Word of Honor" (1956) en "Please Accept My Love" in 1958. In de loop van het decennium wordt ook zijn gitaarspel agressiever en scherper en krijgt het het geluid dat een aantal jaren later zo van invloed zal zijn op een legioen jonge, voornamelijk blanke, muzikanten. Hij krijgt een van de meest persoonlijke gitaarstijlen. Omdat hij het slidegitaar spelen, zoals bv. van zijn neef Bukka White, nooit onder te knie heeft gekregen ontwikkelde hij zelf een manier om de tonen langer te laten klinken door met zijn linkerhand de snaren te buigen en laten vibreren. En deze techniek wordt sindsdien door duizenden gitaristen toegepast en behoort nu bij het standaard gitaarspel.
 
Inmiddels is hij in 1958 getrouwd met zijn tweede vrouw Sue Carol Hall. In 1960 heeft hij met “Sweet Sixteen” weer een millionseller gevolgd door “Got A Right To Love My Baby” en “Partin' Time” die daar maar nauwelijks onder konden blijven. Het is inmiddels duidelijk geworden dat Kent Records te klein is voor een ster als B.B. King. Hij ziet ook niet graag dat zijn lp's uit gaan komen op het Crown-label (ook van de gebroeders Bihari) en direct in de 99-cent-bakken van de supermarkten verdwijnen. Het volgt het voorbeeld van Lloyd Price en Ray Charles en stapt in 1962 over naar ABC-Paramount. Hij haalt zijn vliegbrevet in 1963 en vliegt zelf regelmatig naar optredens. Jaren later vliegt hij na advies van zijn manager en de verzekeringsmaatschappij alleen als er een tweede piloot mee gaat. Pas in 1995, op zeventigjarige leeftijd, stopt hij met zelf vliegen.
In 1964 neemt hij in Chicago het album “Live At The Regal”. Door het enthousiasme van band en publiek geldt dit nog steeds als een van de beste live-albums ooit. Hetzelfde jaar heeft hij een kleine hit met “How Blue Can You Get”, wat nu een van zijn meestgespeelde songs is. In 1966 volgt de scheiding van zijn tweede vrouw. Als grootste reden voor het mislukken van beide huwelijken wordt aangegeven dat de grote druk van het constant op tournee zijn te zwaar is. Er wordt later beweerd dat King bij deze en andere vrouwen in totaal 15 kinderen heeft verwekt. Het jaar van zijn scheiding volgen successen met “Don't Answer The Door” en “Paying The Cost To Be The Boss”, waarmee hij de top 10 weer haalt. “Why I Sing The Blues” uit 1969 haalt dit notering net niet.
In 1968 speelt hij op het Newport Folk Festival en in Bill Graham's Fillmore West en deelt daar de shows met de grootste namen uit de rockmuziek. Deze zien hem als hun idool en met deze optredens wordt hij geïntroduceerd bij een jong blank publiek. De grote doorbraak van R&B naar de poplijsten komt in 1969 met de door strijkers doordrenkte bewerking van het Roy Hawkins-nummer “The Thrill Is Gone”. Ook het poppubliek kan nu niet meer om B.B. King heen. Het nummer staat zowel in de R&B-lijsten als in de poplijsten in de hoogste regionen. Hetzelfde jaar wordt hij door de Rolling Stones uitgenodigd hun voorprogramma te verzorgen.
 
wordt vervolgd in deel twee (klik hier)
 
  

Reacties

Frenk op 29-07-2011 09:20
Hey Eric
 
Een lang verwacht en terecht eerbetoon aan deze meester. Ik heb hem verschillende keren live zien optreden en heb ook diverse cd's van hem. Altijd weer een plezier om naar te luisteren.
 
Prettig weekend, Greetz
Frenk
Han de Tekort op 30-07-2011 09:02
Mooie biografie. Ik hoor hem altijd graag.
 
Gr Han
Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl