barnowlblues.punt.nl
by Eric Campfens
Son Seals (1942 - 2004)

Son Seals was een getalenteerd bluesman en veel van zijn fans beweren zelfs dat hij een van de beste bluesartiesten van de zeventiger jaren was. Zelfs toen de blues bijna ten onder ging aan commerciële R&B, funk en disco bleef Seals zijn muziek van rauwe gitaargedreven blues trouw. Ondanks ziekte en zware tegenslagen bleef hij aktief tot aan het einde toe.

Frank Seals wordt op 14 augustus 1942 geboren in Osceola, Arkansas. Zijn vader Jim is in die plaats eigenaar van een café, een juke joint, genaamd de Dipsey Doodle. Jim is zelf een goede muzikant en het is niet vreemd dat Son, zoals hij eigenlijk altijd al wordt genoemd, de blues met de paplepel krijgt ingegoten. Van zijn vader krijgt hij zijn eerste gitaar, zijn eigen oude akoestische Harmony. Als hij ziet dat Son er zelf pick-ups op monteert om er een elektrisch model van te maken bestelt hij via het verzendhuis Sears & Roebuck een echte elektrische gitaar, een Silvertone, die $ 165, - kost. Hij is al op zijn dertiende professioneel muzikant. Eerst als drummer bij Robert Nighthawk en later ook als gitarist. Als zestienjarige begint hij te spelen in de T-99, een lokale club met een wat hoger niveau. Hij zit daar in de band van zijn zwager, Walter Jefferson, ook wel Little Walter genoemd. Niet te verwarren overigens met de Little Walter uit Chicago. In de T-99 speelt hij met vele andere artiesten, zoals Albert King, Rufus Thomas, Bobby Bland, Junior Parker en Rosco Gordon. De verschillende stijlen van deze artiesten dragen bij aan de speeltechnieken van Son zelf. Naast blues en r&b komt hij ook in aanraking met country & western als Jimmy Grubbs hem vraagt of hij zo af en toe een met diens band wil meespelen als drummer of gitarist. 

Op zijn negentiende vormt hij zijn eigen band, waarmee hij gaat spelen in The Rebel, eveneens een club in Osceola. Kort daarop komt iemand speciaal uit Little Rock, Arkansas en is op zoek naar Sons zwager Little Walter Jefferson om hem te contracteren voor een optreden in zijn club. Deze slaat het aanbod af en vervolgens wordt Son Seals gevraagd om er met zijn band op te treden. Zijn band heet Son Seals and the Upsetters en bestaat naast Son uit Johnny “Old Man Horse” Moore op piano, Alvin Goodberry op drums, gitaar, bas of piano, zanger Little Bob Robinson en Walter Lee “Skinny Dynamo” Harris op piano. Naast het werk met zijn eigen band toert hij ook rond met andere artiesten. Zo is hij drummer achter Earl Hooker, als Son zijn zus in 1963 in Chicago bezoekt,  en op het legendarische “Live Wire/Blues Power” van Albert King is hij eveneens achter de drums te horen.

                                                                          

Als zijn vader in 1971overlijdt,  verhuist Seals naar Chicago, Hij was er in de zestiger jaren al geweest en kent de clubs en musici. Eerst werkt hij in de begeleidingsband van Junior Wells en wisselt naar Hound Dog Taylor wanneer deze ruzie krijgt met zijn vaste gitarist Brewer Phillips. Zijn kans komt als bluesfan Wesley Race hem ziet spelen in de Flamingo Club. Deze belt Bruce Iglauer van Alligator Records nog tijdens het optreden zodat hij kon meeluisteren. Die komt ook kijken en is onmiddellijk overtuigd van de kwaliteiten van Seals. Hij contracteert hem voor zijn platenlabel en Sons debuutalbum “The Son Seals Blues Band” wordt in 1973 uitgebracht met songs als “Love Is Like Cancer” en “Hot Sauce” op. De plaat klinkt opmerkelijk rauw, het is haast niet voor te stellen dat deze gewoon in een studio is opgenomen en niet live. Deze plaat is het begin van een succesvolle carrière.

Het album wordt in 1976 gevolgd door “Midnight Son” en in 1978 door “Live And Burning”. In de volgende twintig jaar blijft hij met regelmaat albums uitbrengen en op één na allemaal bij Alligator Records. Hier zitten “Chicago Fire” (1980), “Bad Axe” (1984), “Living In The Danger Zone” (1991), “Nothing But The Truth” (1996) en “Live – Spontaneous Combustion” (1996).

De detectiveschrijver Andrew Vachss is goed bevriend met Seals en om hem bij het grote publiek bekend te maken krijgt hij kleine rolletjes in zijn boeken toebedeeld. In 2000 verlaat Son het warme nest van Alligator Records en hij tekent een platencontract bij Telarc, waar “Lettin’ Go” verschijnt. Voor dit album schrijft hij samen met Vachss een aantal nummers. Op dit album wordt hij bijgestaan door de band van Jimmy Vivino en Al Kooper.

Zoals het een goed bluesman betaamd heeft Son Seals geen makkelijk leven gehad. Hij is de enige van de veertien kinderen van zijn ouders, die overleeft. Door zijn vrouw wordt hij i februari 1997 tijdens een echtelijke ruzie in de kaak geschoten. Hij overleeft op miraculeuze wijze. In 1999 wordt een deel van zijn linkerbeen geamputeerd vanwege complicaties die optreden door de diabetes, waaraan hij al geruime tijd lijdt. Hij verliest al zijn spullen als zijn huis afbrandt wanneer hij op tournee is en ook worden een keer een aantal dure gitaren van hem gestolen. Nadat hij zijn gezondheidsproblemen min of meer onder controle heeft toert hij verder en neemt nog cd’s op. Hij maakt bij zijn tournees vaak gebruik van bestaande band, zoals die van James Solberg, Jimmy Vivino en Big Jim Kohler. 

De diabetes blijft hem parten spelen en in 20 december 2004 overlijdt Son Seals aan de gevolgen hiervan. Na Sons overlijden draagt Andrew Vachss zijn boek “Mask Market” op ter nagedachtenis aan hem.

Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl