barnowlblues.punt.nl
by Eric Campfens
Willie Dixon (1915 - 1992)

Een reus, zo is Willie Dixon het best te beschrijven. Niet alleen voor wat betreft statuur - hij was groot en gezet - maar zeker ook voor wat hij heeft betekent voor de blues. Naast het feit dat hij zelf muzikant was, schreef hij vele bluesklassieker, produceerde platen en stond hij aan de wieg van de carrières van vele belangrijke bluesartiesten. Tot zijn composities horen songs als "Little Red Rooster", "Hoochie Coochie Man", "Spoonful", "Back Door Man", "I Just Want to Make Love to You", "My Babe", "Wang Dang Doodle" en "I Can't Quit You Baby", die hij schreef voor bluesartiesten als Muddy Waters, Howlin' Wolf en Little Walter en rock 'n rollers als Chuck Berry en Bo Diddley. Hiermee beïnvloedde hij hele generaties aan jonge artiesten, te beginnen met Bob Dylan, de Rolling Stones, Eric Clapton, Led Zeppelin om er maar een paar te noemen.

William James Dixon wordt op 1 juli 1915 geboren in Vicksburg, Mississippi. Zijn ouders zijn Anderson Bell and Daisy (McKenzie) Dixon. Al vanaf zijn jongste jeugd heeft hij de gewoonte om alles wat hij zegt op rijm te zetten, een trekje dat hij van zijn moeder heeft overgenomen. Vicksburg is een wat grotere stad in de wijde omgeving en die trekt vanzelfsprekend ook veel muzikanten, die er wat geld proberen te verdienen. Er is dan ook veel muziek te horen op straathoeken en vanuit de clubs. Het gezinnetje met zeven kinderen, waar Willie deel van uit maakt, woont achter het restaurant dat door moeder Daisy wordt bestierd. ernaast bevindt zich Curley's Barrelhouse, waar Willie als zevenjarige o.m. pianist Little Brother Montgomery en gitarist Charley Patton hoort. Vanaf die tijd is hij helemaal in de ban van de blues.

Op zijn elfde loopt hij voor het eerst weg van huis. Iets wat hem zwaar tegenvalt. Hij komt niet verder als het 18 kilometer verder gelegen Bovine. Hij woont er in een vervallen kotje, moet hard werken en is weer blij als hij thuis is. Zijn ongedurigheid leidt regelmatig tot zwerftochten en komt regelmatig in aanvaring met de wet. De eerste keer dat hij zelf in de cel belandt is wanneer hij wordt veroordeeld voor diefstal van spullen uit een oude boerderij. Hij reist als hobo met de trein en merkt dat dit als misdaad wordt beschouwt en dat voornamelijk zwarte arrestanten in de cel belanden. Hij krijgt een straf van dertig dagen uit te zitten in de Harvey Allen County Farm. Hier komt hij voor het eerst echt  in aanraking met de blues. Van de andere gevangenen leert hij echt wat de blues is en wat hun zang betekent. En als hij ziet dat anderen worden misbruikt en geslagen weet hij te ontsnappen. Hij springt op een trein naar Chicago waar hij een tijdje bij een zus logeert. Vervolgens reist hij naar New York voordat hij weer terugkeert naar Vicksburg.

Van Leo Phelps, een plaatselijke timmerman, leert Willie close harmony zingen in het gospelkwartet van Phelps, The Union Jubilee Singers, waar Willie de basstem voor zij  rekening neemt. Met dit kwartet is hij regelmatig op het lokale radiostation WQBC te horen. Rond deze tijd begint hij met het arrangeren van gedichten en ze op muziek te zetten. Hij weet zelf enkele songs te verkopen aan muziekgroepen. Net als veel ander zwarten in die jaren vertrekt Willie in 1936 van Mississippi naar Chicago. Hij heeft daar diverse baantjes en met een lengte van 1.95 meter en een gewicht van bijna 120 kg is hij ook geschikt bokser te worden. In 1937 wint hij het Golden Gloves Heavyweight Championship voor de staat Illinois. Hij wordt profbokser en is zelfs enige tijd de sparringpartner van wereldkampioen Joe Louis. Maar na vier gevechten en een strijd over geld met zijn manager hangt Willie zijn bokshandschoenen aan de wilgen. Naast het boksen zingt Willie in een aantal zanggroepen. Van Phelps had hij goed leren zingen. Leonard 'Baby Doo' Caston, die hij tijdens zijn bokstrainingen heeft ontmoet en met wie hij regelmatig zingt, haalt hem over een muzikale carrière op te bouwen. Caston bouwt Willie's eerste bas van een tinnen blik en een snaar. Ook leert hij gitaar spelen en het duo begint met het spelen om straathoeken. In 1939 richten Dixon en Caston de Five Breezes op met Joe Bell, Gene Gilmore en Willie Hawthorne. Zij spelen een mix van blues, jazz en vocale harmonieën in de stijl van de dan immens populaire Ink Spots en maken een plaat voor het Bluebird-label. Deze muzikale loopbaan komt tot een abrupt einde wanneer Willie vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog wordt opgeroepen voor militaire dienst en dit weigert op grond van gewetensbezwaarden. Hij was namelijk van mening dat de zwarte bevolking al meer dan genoeg werd uitgebuit en dan ook niet nog eens voor een oorlog uitgezonden zou hoeven te worden. deze mening verkondigt hij waar hij maar kan en voor deze dienstweigering wordt hij veroordeeld en moet tien maanden de gevangenis in.

Na de oorlog vormt hij een nieuwe band, de Four Jumps Of Five, voordat hij samen met zijn oude vriend Leonard Caston en gitarist Bernard Jenkins het Big Three Trio vormt. Jenkins wordt later vervangen door Ollie Crawford. Met dit trio maakt Willie zijn eerste opnamen voor Columbia Records. Zij vernoemen zich naar de 'Big Three' uit de oorlog: Franklin Roosevelt, Winston Churchill en Joseph Stalin. In die jaren maakt hij deel uit van de steeds groter wordende groep bluesmuzikanten en hij speelt in diverse clubs eveneens regelmatig de bas achter mensen als Muddy Waters. Hij is ook regelmatig te vinden in de bluesclub van de gebroeders Chess en als deze in 1948 hun eigen label Aristocrat beginnen huren zij hem in als begeleider van Robert Nighthawk. De gebroeders Chess houden van zijn stijl en zijn talenten als arrangeur en componist en vervolgens tekent Dixon een contract bij het dan tot Chess Records omgedoopte label. Zelf treedt hij steeds minder op omdat hij meer betrokken raakt bij het kantoorwerk voor het label. In 1951 is hij volledig bij Chess in dienst. Hij neemt zelf af en toe ook wel eens wat op, maar grotendeels is hij er werkzaam als producent, talentenscout, sessiemuzikant en componist. Ook voor het dochterlabel Checker werkt hij als producer. De grootste doorbraak voor hem volgt op het uitbrengen in 1954 van de door hem geschreven "Hoochie Coochie Man" door Muddy Waters. Datzelfde jaar volgen van Waters nog hits als “I Just Wanna Make Love to You” en “I’m Ready”.  In 1955 lanceert hij met "My Babe" van Little Walter een volgende hit, een song dat een bluesklassieker zal worden en zal worden vertolkt door artiesten uitlopend van de Everly Brothers, Elvis Presley, Ricky Nelson, de Righteous Brothers, Nancy Wilson, Ike and Tina Turner en bluesartiesten John Lee Hooker, Bo Diddley en Lightnin’ Hopkins.

Hij heeft geen makkelijke relatie met Chess, hoewel hij er toch van 1948 tot het begin van de zestiger jaren werkte. In die periode heeft Dixon een zeldzame grote invloed en zijn productie was enorm. Ondanks het enorme werk dat hij daar verzet verdient hij in die jaren niet meer dan $ 100,- per week. Dat is inclusief de rechten als componist! Aan het eind van 1956 verlaat hij daarom dan ook het label. Hoewel hij nog steeds wordt ingehuurd om anderen op zijn bas te begeleiden. Hij is bijvoorbeeld te horen op alle opnamen die Chuck Berry voor Chess maakt. Vanaf eind 1956 tot 1959 werkt hij voor het kleine label Cobra Records, waar hij singles voor Otis Rush, Magic Sam en Buddy Guy produceert, waarmee hij helpt de zogenaamde Westside-sound te creëren. Deze stijl kan het best worden omschreven als een door de Mississippi Delta beïnvloedde Chicagoblues met de nadruk op de single-string gitaartechniek à la B.B. King. Deze stijl, waarbij de sologitaar het middelpunt vormt, is het moderne bluesgeluid dat enkele jaren later de Britse bluesstijl het meest zal beïnvloeden. Door schade en schande wijs geworden leert Dixon steeds meer van de muziekbusiness. Om zijn rechten te beschermen richt hij in 1957zijn eigen muziekuitgeverij op onder de naam Ghana Music en registreert deze bij de BMI (Broadcast Music Incorporated). Zijn "I Can't Quit You baby" is een top 10-hit voor Otis Rush, maar Cobra Records raakt in de financiële problemen en in 1959 is Dixon weer terug in dienst bij Chess als voltijdswerknemer.

De late vijftiger jaren zijn een moeilijke tijd voor de bluesartiesten uit Chicago, zelfs als hun muziek in andere delen van de VS steeds populairder wordt. In dat jaar vormt hij met pianist Memphis Slim een duo en treden beiden op het Newport Folk Festival op. Zij blijven samenwerken en toeren langs de koffiebars en folkclubs en krijgen zo de aandacht van een groot jong en blank publiek. Dezelfde aandacht krijgt zij als zij in 1960 de oversteek wagen en in Engeland optreden. Rond deze tijd vat de Duitse concertpromotors Horst Lippmann en Frits Rau het plan op om een show samen te stellen met de grote bluesartiesten van dat ogenblik en hiermee door Europa op tournee te gaan. Willie Dixon neemt de taak op zich het muzikale deel van dit American Folk Blues Festival te organiseren. Samen met Memphis Slim, T-Bone Walker, John Lee Hooker, Sonny Terry en Brownie McGhee reist hij met de eerste versie van het festival in 1962 Europa rond. Dixon helpt de organisatie de eerstvolgende tien jaar bij dit jaarlijkse terugkerende evenementen introduceert de blues bij het jonge Europese publiek. De Amerikaanse bluesmuzikanten ontdekten al snel dat zij meer geld konden verdienen door in Europa te spelen dan thuis in Chicago. Zij spelen in concertzalen en worden als sterren behandeld. Dixon speelt zelf drie jaar mee en blijft tot 1971 betrokken bij de organisatie.

Hij legt in die jaren ook belangrijke contacten. Dit onder meer met jonge Engelse musici, die zijn composities gebruiken en waar nodig geeft hij steun en advies. Jack Bruce herinnert zich verheugd te zijn wanneer Dixon positief reageert op de versie van "Spoonful" dat door Jacks toenmalige band Cream op de plaat wordt gezet. Ook bij Chess blijven artiesten als Muddy Waters en Howlin' Wolf zijn werk spelen. Ook voor de nieuwelingen schrijft hij en hij bezorgt Koko Taylor haar grootste hit met "Wang Dang Doodle". Maar langzamerhand stopte hij met zijn werk voor dit label. Dit kwam enerzijds door het overlijden van mensen als Elmore James, Little Walter en Sonny Boy Williamson met wie hij vele jaren had gewerkt en anderzijds omdat Chess meer de rockgeoriënteerde kant opging. Het overlijden van Leonard Chess in 1969 was uiteindelijk de reden voor de echte breuk en in 1970 neemt hij zijn laatste sessie daar op. Hij wil dan ook weer eens zelf spelen en optreden. Dat is er door het werk bij Chess eigenlijk maar weinig van gekomen. Voor Columbia neemt hij een album op met zijn eigen bekendste nummer, "I Am The Blues" en hij vormt een band, the Chicago Blues All Stars, om mee op te treden in Europa. En de naam All Stars is goed gekozen, want de band bestaat uit Johnny Shines op gitaar en zang, Sunnyland Slim op piano, Walter “Shakey” Horton op harmonica, Clifton James op drums en Dixon zelf op bas en zang.

 Van de late jaren zestig tot halverwege de jaren zeventig leidt Dixon zijn eigen label, Yambo Records met twee sublabels, Supreme en Spoonful. In 1971 brengt hij zijn eigen album "Peace?" uit op Yambo, waar ook singles van o.m. McKinley Mitchell en Lucky Peterson op verschijnen. Hij wordt nu beschouwd als een van de sleutelfiguren van de Chicagoblues. Ook in de zeventiger jaren hij met mensen als Chuck Berry, Muddy Waters, Howlin' Wolf, Otis Rush, Bo Diddley, Joe Louis Walker, Little Walter, Sonny Boy Williamson, Koko Taylor, Little Milton, Eddie Boyd, Jimmy Witherspoon, Lowell Fulson, Willie Mabon, Memphis Slim, Jimmy Rogers, Sam Lay en veel anderen. Voor hen schrijft hij nieuwe songs en ook zij eigen werk brengt hij uit, nu op zijn eigen Yambo label. Twee albums, "Catalyst" en "What's Happened To My Blues?", worden in respectievelijk 1973 en 1977 genomineerd voor een Grammy Award.

Zijn drukke tourschema zorgt dat hij tot 1977 steeds zeker een half jaar van huis is. Hij al jarenlang aan diabetes en in dat jaar verhevigt deze ziekte zich en moet hij het ziekenhuis in. Daar is men genoodzaakt een voet te amputeren, maar na een periode van herstel blijft hij tot in de tachtiger jaren werken en optreden. Hij toert aan het begin van de tachtiger jaren weer met de Chicago Blues All-Stars en een live-opname van het Montreux Jazz Festival 1983 resulteert opnieuw in een nominatie voor een Grammy Award. In hetzelfde jaar verhuist Willie met zijn familie naar Californië, waar hij gaat werken aan soundtracks voor films. Hij produceert een nieuwe versie van “Who Do You Love” voor Bo Diddley, dat wordt opgenomen voor de film "La Bamba" over het leven van Ritchie Valens, en hij speelt zijn eigen “Don’t You Tell Me Nothin’” in Martin Scorsese’s 'The Color Of Money' uit 1986.

In zijn latere jaren maakt Dixon zich sterk voor het behoud van de blues en de bescherming van de uitvoerende artiesten. Hij richt de Blues Heaven Foundation op, die zich onder meer ten doel stelt zowel de nalatenschap van de blues als de copyrights en royalty's voor de bluesartiesten en componisten te beschermen, die in het verleden werden uitgebuit, en deze ook te ondersteunen met het verstrekken van muziekinstrumenten, het geven van beurzen en dergelijke. Dixons motto was altijd "The blues are the roots and the other musics are the fruits. It’s better keeping the roots alive, because it means better fruits from now on. The blues are the roots of all American music. As long as American music survives, so will the blues." Hij neemt zijn kleinzoon Alex Dixon op in het familiebedrijf. Samen met hem bezoekt hij scholen, waar zij de kinderen vertellen over de geschiedenis van de blues, terwijl de jonge Alex op piano de verschillende bluesstijlen laat horen. Niet lang erna begeleidt Alex zijn opa op een wereldtournee.

Ontevreden met de inkomsten die hij en Muddy Waters ontvingen van ARC Music, een dochter van Chess waar de rechten van de muziek waren ondergebracht, spannen zij een rechtszaak aan. Nadat zij die hebben gewonnen richten zijn van de opbrengst hiervan een eigen bedrijf op, Hoochie Coochie Music. Na jarenlang getouwtrek en rechtszaken met Led Zeppelin treffen zij in 1987 buiten de rechtbank een schikking voor het onterecht gebruik van zijn song "Bring It On Home" en de tekst van "You Need Love", dat Led Zeppelin gebruikte in "Whole Lotta Love". In 1988 is Dixon de eerste producer/componist die wordt 'geëerd' met een cd-box. Op MCA verschijnt "Willie Dixon: The Chess Box", waar de bekende hits, die van zijn hand zijn, zijn opgenomen naast een aantal onbekende songs door Dixon zelf. Hetzelfde jaar verschijnt ook een nieuw album, "Hidden Charms", waarvoor hij een Grammy Award in de wacht sleept. In 1989 verschijnt de autobiografie "I Am The Blues", die hij samen met Don Snowden heeft geschreven. Hij blijft optreden en wordt ook aangetrokken als producer voor filmsoundtracks als "Ginger Ale Afternoon" en "La Bamba" en hij doet eveneens nog productiewerk voor zijn oude Chesscollega Bo Diddley.

Willie Dixon leidde al geruime tijd aan diabetes en in de zeventiger en tachtiger jaren begint hij steeds meer met gezondheidsproblemen te kampen. Uiteindelijk moet een van zijn benen worden geamputeerd. Op 29 januari 1992 overlijdt hij vreedzaam in zijn in Burbank, Californië aan een hartstilstand. Hij wordt begraven op Burr Oak Cemetery in Alsip, Illinois.

Tijdens zijn leven ontvangt Willie Dixon voor zijn werk al een aantal prijzen. Hij wordt in 1980 opgenomen in de Blues Hall of Fame en in 1989 ontvangt hij een Grammy Award voor zijn album "Hidden Charms". Postuum wordt hij in 1994 opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame. In de film "Cadillac Records" uit 2008 over de vroege jaren van Chess Records wordt zijn karakter  gespeeld door acteur/komiek Cedric the Entertainer.

Door zijn overlijden verliest de muziekwereld een van zijn belangrijkste componisten en musici. Met meer dan vijfhonderd composities van zijn hand en een dikke vinger in de pap van wat de Chicagoblues genoemd mag worden kan worden vastgesteld Willie Dixon voor een groot deel verantwoordelijk is geweest voor het geluid van dit genre en de invloed hiervan op de pop- en rockmuziek, die ook nu nog hoorbaar is. De kracht van Willie Dixon is om ouderwetse zuidelijke motieven te vatten in eigentijdse arrangementen. Begonnen in de Mississippi Delta en Chicago wist hij de tijdgeest te vatte in zijn muziek. Als belofte aan haar man koopt zijn weduwe, Marie Dixon, het pand aan 2120 S. Michigan Avenue in Chicago, waarin de Chess studio's waren gevestigd. Vanuit dit gebouw werkt nu Willie Dixon's Blues Heaven Foundation met de ondersteuning en promotie van de blues en de bluesartiesten.

Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl